Nachtzon

Een week geleden overleed Cora Vaucaire. Dat las ik in de krant. De naam deed mij niet direct een lichtje branden. Normaal laat ik de necrologieën  van mij onbekenden links liggen, maar deze keer las ik hem in zijn geheel. Cora Vaucaire bleek een zangeres van de generatie Juliette Gréco en Barbara te zijn. Haar bijnaam was La dame blanche de Saint-Germain-des-Prés. Ze kleedde zich geheel in het wit omdat ze zich niet kon vinden in de toen heersende trend om in het zwart gekleed te gaan. Gisteren hoorde ik haar op de radio. Ze zong mooi. De presentator vertelde dat ze veel teksten van Prévert gezongen had. Dan moet ik haar kennen, realiseer ik mij en ga wat rommelen in mijn Cd-collectie tot ik te voorschijn kom met een dubbel-cd met teksten van Jacques Prévert gezongen door verschillende artiesten, waaronder natuurlijk de onvermijdelijke Yves Montand en Juliette Gréco, en Prévert zelf. Even zoeken en ja hoor daar staat Cora Vaucaire met Les feuilles mortes. Laat dat nu mijn lievelingschanson zijn. Waar ik ook ben, als ik een verzoeknummer kan laten spelen door een straatmuzikant of een barpianist, dan vraag ik altijd om Les feuilles mortes. Of Autumn Leaves als ik in een Engelstalig land ben. Oorspronkelijk werd het lied gezongen door Yves Montand in de film Les portes de la nuit, uiteraard een van mijn favoriete films. Vervolgens lees ik in het boekje bij de Cd’s dat de tekst van Les feuilles mortes verschenen is een postume dichtbundel van Prévert getiteld Soleil de nuit. Nu moet ik even slikken.
Tien jaar geleden besloot ik een zeilboot te gaan kopen. Het moest een zeewaardig bootje worden, want ik wilde de zee op. Een merkwaardige wens voor iemand die op zes uur rijden van zowel de Atlantische Oceaan als de Middellandse Zee woont, maar daar zal ik het niet over hebben. Het bootje werd gezocht en gevonden. Het enige wat er niet aan deugde, was de naam. Die bestond uit een grapje dat alleen door de toenmalige eigenaar en diens zoon te begrijpen was. Mijn bootje moest dus een nieuwe naam krijgen. Nu heb ik altijd begrepen dat het veranderen van de naam van een boot zoveel betekent als het afroepen van onheil. Daar had ik dus een probleem. Ik had wel eens een kano gehad en die hadden we Het Verstand Van Poeh genoemd, dus lag het voor de hand dat mijn nieuwe bootje Het Verstand II zou gaan heten, maar ik zag daar niets anders dan ellende van komen. Nu hoorde bij de boot een soort kentekenbewijs waarin ik alle namen kon terugvinden die het bootje in de voorafgaande twintig jaar had gehad (blijkbaar waren de vorige eigenaren niet zo bijgelovig als ik). Zo had hij Sertão geheten. Persoonlijk heb ik niets met het noordoosten van Brazilië, dus die naam viel af. Maar zijn allereerste naam was Soleil de nuit. Dat was het! Daarmee sloeg ik twee vliegen in één klap: door terug te keren naar de oorspronkelijke naam zou ik alle verzamelde doemen veroorzaakt door de successievelijke naamswijzigingen ongedaan maken en bovendien had ik er een mooie poëtische naam mee. En inderdaad, de goden zijn met mij geweest. Maar dat ik al die tien jaar niet heb geweten dat het de naam is van de dichtbundel waarin mijn favoriete chanson staat! Ik heb afgelopen week vier dagen heerlijk gezeild, maar ik weet zeker dat ik de volgende keer noch lekkerder zal zeilen. Met dank aan Cora Vaucaire en Jacques Prévert.

Alleen de titel al!

Ik ben geen groot liefhebber van autobiografieën. Ik lees graag echte schrijvers en daarmee valt negentig procent van de autobiografieën al af. Maar zelfs met autobiografieën van heuse romanschrijvers haal ik vaak de eindstreep niet. Met Simone de Beauvoir ben ik heel ver gekomen. Die had er echt een levenswerk van gemaakt: vier dikke pillen. In het laatste deel (Alles welbeschouwd/ Tout compte fait –alleen de titel al!) ben ik op een derde blijven steken: te veel feitjes, te veel namen, te weinig verhaal. Doris Lessing heeft gelukkig nog maar twee delen autobiografie geschreven. Ik heb ze allebei uitgelezen, maar ik vond het lezen ervan vooral leuk als het parallel aan de Martha Quest cyclus liep. Hetzelfde had ik bij het lezen van de autobiografie van Gabriel García Marquez. Zolang ik er Honderd jaar eenzaamheid in herkende, vond ik het leuk. Daarna werd het vooral een eindeloze reeks van namen van mensen die ongetwijfeld veel voor hem hebben betekend, maar die mij niets zeggen en die in zijn verhaal niet tot leven kwamen. Dus het was met enige aarzeling dat ik aan de autobiografie van de door mij zeer bewonderde Philip Roth begon. Waarom zouden romanschrijvers zich überhaupt aan een autobiografie wagen? Ze hebben toch alle mogelijkheden om zich in non-fictie uit te drukken? Een politicus, een generaal, een ontdekkingsreiziger, een commissaris van politie, een acteur, een prostituee of een crimineel, allemaal okay, maar waarom van alle mensen een romanschrijver? Maar omdat ik op enig moment alle boeken van Roth gelezen wil hebben en omdat ik het boek bij toeval bij De Slegte tegenkwam, ben ik toch maar aan The facts (alleen de titel al!) begonnen. Afgezien van de proloog – een brief van Roth aan zijn alter ego Nathan Zuckerman – gaat het om een klassieke autobiografie. Dus ergens op driekwart van het verhaal duiken de namen van tijdschriften en uitgevers op en begin ik te kijken hoeveel bladzijden ik nog verder moet. Het blijft tot het eind redelijk onderhoudend, maar dat is toch niet wat ik van een schrijver als Roth verwacht. Ik neem mij voor geen autobiografieën van schrijvers meer te lezen. Als ik met een zucht het einde bereik, zie ik dat er nog een lel van een epiloog achter zit in de vorm van een brief van alweer dezelfde Nathan Zuckerman aan zijn schepper (‘Dear Roth’). Zuckerman veegt de vloer aan met Roth’s memoires: ‘I cannot trust you as a memoirist the way I trust you as a novelist because … to tell what you tell best is forbidden to you here by a decorous, citizenly, filial conscience. With this book you’ve tied your hands behind your back and tried to write it with your toes.’ Ik realiseer me dat, wat Zuckerman/Roth hier zegt precies de reden is waarom die andere autobiografieën vroeger of later niet te pruimen worden: er gaan andere loyaliteiten meespelen dan die van de schrijver aan zichzelf. ‘(O)bviously it’s just as impossible to be proper and modest and well behaved and be a revealing autobiographer as it is to be all that and a good novelist.’ Je kunt niet tegelijk aardig, beleefd, fatsoenlijk zijn en ook nog een verantwoordelijk mens, en daar bovenop een goed schrijver. Ik geloof dat het W.F. Hermans was die dat formuleerde als ‘Je schrijft of je hebt vrienden.’
Met deze meedogenloze kritiek van Zuckerman wordt Roth’s autobiografie opeens een schitterend boek, een van de mooiste Roth’s die ik heb gelezen. Maar daar laat hij het niet bij. Vervolgens laat Zuckerman zijn vrouw Maria aan het woord die het niet meer pikt dat Roth hun leven beheerst. Zuckerman deelt de wanhoop van zijn vrouw, die zou willen dat ze zouden kunnen leven als die personages ‘whose authors naïvely maintain that at a certain point the characters “take over” and do the storytelling themselves on their own initiative.’ Maar nee, Roth laat ze niet rustig hun eigen gang gaan. ‘Oh, Christ, here he goes again – he’s going to fuck us up.’ Ik bereik deze keer buiten adem de eindstreep, maar in een P.S. laat Roth Zuckerman nog een laatste salto mortale maken: ‘Having argued thoroughly against my extinction in some eight thousand carefully chosen words, I seem only to have guaranteed myself a new round of real agony!’ Wat De Beauvoir niet lukte met die vier dikke pillen, wat García Marquez niet bereikte met 570 pagina’s, wat Lessing niet teweegbracht met 800 bladzijden, lukt Roth met nog geen 200 pagina’s: ik lig uitgewrongen in de touwen.

P.S.: Nu Roth er niet meer is, bedenk ik me dat dit stukje ook had kunnen heten: Waarom Philip Roth de Nobelprijs voor literatuur had moeten krijgen.

De ondergang van het avondland

‘Moeilijke tijden baas.’ Als ik het me goed herinner waren dat de woorden waarmee de droevig uitgezakte hond van Willie Wortel zijn geniale meester toesprak. Dat sprak me destijds erg aan. Op latere leeftijd ontdekte ik Winnie-The-Pooh – in het Engels, zodat ik mij de Nederlandse versie van de namen uit Milne’s meesterwerk nooit eigen heb gemaakt – en voelde ik een onmiddellijke en diepe verbondenheid met Eeyore, de altijd zo treurige ezel. Kon ik maar als hij zijn, dacht ik vaak, en ongestraft mijn zwartgallige visie op de mij omringende wereld uitdragen. In mijn favoriete muziek was het, zo niet noodzakelijk dan toch op zijn minst goed gebruik om regelmatig sad and blue te zijn. En dan had je ook nog van die prachtige films waarin acteurs als James Dean, Anthony Perkins en zelfs Paul Newman van die geweldige losers konden zijn. Dus toen ik zo’n jaar of achttien was had ik mijn wereldbeeld wel ongeveer compleet: down and out, voor minder zou ik het niet doen. Ik kom daarop omdat een gesprekspartner tijdens een geanimeerde tafeldiscussie de Eurocrisis, Fukushima, het bloedig neerslaan van de volksbeweging in Syrië, het dalende geboortecijfer in Europa, de windhoos die over het Pukkelpop festival raasde en nog een paar heftige zaken die ik nu even vergeten ben, samenveegde in de constatering dat er iets helemaal fout aan het gaan is in de wereld. Mijn gloomy roots indachtig had ik dat natuurlijk met een meewarige blik moeten onderschrijven. Maar nee, ik begon meteen te roepen dat dat natuurlijk nergens op sloeg, dat er geen enkel verband bestaat tussen natuurverschijnselen en economische crises en dat de ontwikkelingen in de Arabische wereld toch vooral positief beoordeeld moeten worden. Opeens nam met kracht een overlevingsinstinct bezit van mij. Ik wilde helemaal niet deel uitmaken van een cultuur die zijn langste tijd gehad heeft. Spenglers Untergang des Abendlandes kon mij gestolen worden. Wij kunnen nog een hele tijd mee. Er zit genoeg vitaliteit in deze ‘oude wereld’. Maar wat krijgen we nu? Identificeer ik me opeens met iets waarmee ik me nooit heb willen identificeren? Het rijke westen dat eeuwenlang hele continenten heeft uitgebuit, is dat waar ik uiteindelijk op terugval als de wereld onoverzichtelijk en onbegrijpelijk wordt? God behoede me! Eindelijk kan dat deel van de wereld dat sinds de kruistochten tot perifeer werd gemaakt onze leidende rol over gaan nemen en dan ga ik roepen dat het zo’n vaart niet zal (lees: mag) lopen en dat we het nog best een tijdje kunnen (lees: moeten) uithouden, terwijl ik eigenlijk zou moeten staan juichen om een ontwikkeling die ons een beetje op onze plaats zet. Ik probeer mij voor te stellen wat mijn vroegere helden, de hond van Willie Wortel en Eeyore van dit alles vinden. Voor Eeyore is het duidelijk: ‘Even at the very bottom of the river I didn’t stop to say to myself, “Is this a Hearty Joke, or is it the Merest Accident?” I just floated to the surface, and said to myself, “It’s wet.” If you know what I mean.’ Wat schieten we er mee op met ons af te vragen hoe we op de bodem van de rivier terecht zijn gekomen? Gewoon overleven en constateren dat het nat is. De rest is leuk voor later. Tja, ik weet het nog zo net niet. ‘Moeilijke tijden baas.’

Een goede reden om een film geen tweede keer te zien

Het is helemaal Blow-Up weer. Bomen vol in blad die onder een duister zwerk door de wind alle kanten opgeblazen worden. Dat geeft een geluid dat voor mij al sinds een jaar of vijfenveertig het typische Blow-Up geluid is.
Er zijn van die films die je voor eeuwig bijblijven door één détail, één situatie. Bij mij is Blow-Up van Antonioni blijven hangen door die onbestemde beelden geschoten in een verlaten park waar de wind door de bomen raast en dat heel speciale geluid geeft dat, als ik het in het echt hoor, mij altijd weer aan die film doet herinneren. Of liever gezegd: aan dat ene beeld uit die film. Want van de film zelf herinner ik me niet veel meer. Die heb ik na 1967 ook nooit meer gezien. Om de een of andere onduidelijke reden zat hij nooit in een van die DVD-boxen met klassieke films die ik bij tientallen heb gekocht. Ik vraag me ernstig af of het zo niet beter is. Er is nu die ene onheilszwangere scène die in mijn geheugen gegrift staat en waardoor zwaaiende en ruisende bomen met donkere wolkenluchten voor mij een extra dimensie hebben gekregen.  Stel dat ik nu opnieuw de film zie en – ik zeg maar wat – hevig geïrriteerd raak door het gedateerde beeld van Londen in de jaren zestig.  Of dat de film als modieus en gemaniëreerd door de mand valt. Zou toch kunnen? Misschien moet ik dat risico maar niet lopen, want ik moet er niet aan denken dat die voor mij nu welhaast mythische scène dan verkruimelt. Dat zou zonde zijn. Dan zou een stukje van de betovering van de wereld verloren gaan. Nee, ik wil die scène graag behouden zoals hij nu vrijwel zonder context door mijn bewustzijn zwerft. Dus die DVD-box waar Blow-Up wel in zit, ga ik niet bestellen. Dat ben ik aan Antonioni en mijzelf verplicht.

Ballen

Om verschillende redenen vind ik het leuk om vrienden te logeren te hebben. Een daarvan is dat ik dan mijn laatste indrukken over hoe het met Nederland gaat, kan toetsen aan de mening van ingewijden. Want dat ben ik natuurlijk al lang niet meer. Dat ben ik me jaren geleden pijnlijk bewust geworden toen de Europese grondwet door de lidstaten goedgekeurd moest worden. Dat er in Frankrijk een forse anti-Europa stemming heerste was mij maar al te bekend, maar Franse vrienden en kennissen bezwoer ik dat dat in Nederland heel anders lag, dat Nederland een verschrikkelijk pro-Europees land is en dat die grondwet er zonder problemen goedgekeurd zou worden. Ik ben toen even een paar weken undercover gegaan om het leedvermaak van mijn Franse vrienden te ontlopen.
De laatste tijd zit ik met een nieuw probleem waar het Nederland betreft. Nee, ik bedoel niet de kunstsubsidies of de coffeeshops, of welk onderwerp dan ook waar Nederland zijn toch al danig aangetaste reputatie in het buitenland verder mee afkalft. Het gaat mij om het verbazende nieuws dat Nederlandse vrouwen genoeg hebben van begrijpende en behulpzame mannen en liever gewoon een lekkere macho hebben, zo eentje die je ongegeneerd en plein public een klap op de billen geeft en die niet eerst bezorgd informeert of je er wel zin in hebt. Dat was wel nieuws voor me, of liever gezegd het was nieuws voor me dat dat nieuws is, want in mijn beleving hadden wij al ruim twintig jaar geleden afscheid genomen van de begripvolle man in pastelkleurig tuinpak die best wel een stuk gevoel in de relatie wilde brengen. Ik begrijp nu dat hij er nog steeds is, dat hij moeilijker aan de dijk gezet kon worden dan het vrouwelijk deel der natie had gewild. Stop! Hier klopt iets helemaal niet. Ik weet niet of de aandachtige lezer het in de gaten had, maar ik was bezig een stel generalisaties en stereotypen door elkaar te klutsen zoals dat gebruikelijk schijnt te zijn aan de stamtafel of – zoals ze hier zeggen – in Café du Commerce. Dat levert echter geen briljante inzichten in maatschappelijke ontwikkelingen op. Want waar gaat het om? In de media wordt vastgesteld dat de zachte man heeft afgedaan. Of hij nog bestaat en voor wie hij precies heeft afgedaan wordt niet erg duidelijk. Bij navraag blijkt dat de indruk bestaat dat in kringen van de grachtengordel je als man maar beter op een 1100 cc Kawasaki kunt voorrijden dan op een transportfiets. De ‘grachtengordel’ is een geweldige mystificatie, want daar woont bijna niemand. Het gaat uiteindelijk om die paar duizend mensen die in de cafés en restaurants komen waar je gezien wilt worden, in Amsterdam wel te verstaan, want laten we wel wezen: buiten Amsterdam is het de woestijn, daar ben je hooguit omdat je er moet zijn, en zeker niet voor je lol. Maar ik dwaal af. Dat handjevol mensen dat de Nederlandse media bevolkt, vindt dus dat mannen ballen moeten hebben, en dat niet alleen, ze vinden ook dat vrouwen ballen moeten hebben. Er is zo mogelijk nog een grotere bewondering voor vrouwen met ballen dan voor mannen met ballen. Wij hebben hier in Frankrijk twee vrouwen met geweldige ballen: Marine Le Pen en Christine Lagarde. Ik zou er niets op tegen hebben als Nederland ze van ons overneemt. De eerste dan, want Christine Lagarde is toch al vertrokken naar Washington.
Wat is dat toch, die bewondering voor mensen met ballen? Ik ben bang dat het iets te maken heeft met de recente trend van verheerlijking van mensen die zeggen waar het op staat, die hardop zeggen wat anderen alleen maar durven te denken. Wilders quoi. Als je maar hard genoeg je eigen bekrompenheden rondbazuint, loop je een goede kans een held te worden. Een echte macho. Niet zo’n watje die zijn vrouw met thee op bed verwent. Het bed is ergens anders voor. Om gezellig met je vrouw naar een lekkere harde pornofilm te kijken. Maar laat ik uitkijken: straks blijk ik een nieuwe trend ontdekt te hebben.

Op reis

Ik was een week met vakantie. Als ik die zin opschrijf krijg ik net niet de slappe lach. Het is niet zo dat ik niét op vakantie was, maar om nou plompverloren te zeggen dat ik op vakantie was … Nee, laten we zeggen dat ik een week weg was. Niet voor werk, ook niet voor familiebezoek, maar gewoon omdat ik er zin in had om even weg te zijn. Niet dat ik het niet naar mijn zin had op de plek waar ik woon. Het is er mooi, het weer was prachtig, de buren zijn aardig, het is – zoals velen al hebben opgemerkt – een paradijsje bij ons. Dus waarom zou ik dan weg willen? Omdat het achter gindse heuvels nog mooier is? Flauwekul, ik weet wel beter. Maar ginds vallen er geen blauwe enveloppen in de brievenbus. Ik heb er niet eens een brievenbus. Ginds heb ik geen gedoe met pensioenverzekeraars die er maar niet in slagen een goede bestemming voor mijn lijfrentekapitaal te vinden. Er stapelen zich geen onbetaalde rekeningen op. Al die dingen die je het liefst voor je uitschuift, die bestaan ginds niet. Het stelt doorgaans allemaal niet zoveel voor, die akkefietjes die je het zicht op weidse verten benemen en als je ze afgehandeld hebt, ben je opgelucht en dat is een mooi gevoel. En toch. Ginds heb je die akkefietjes niet. Daarom gaan mensen op vakantie. Niet om de weidsheid van het landschap, de schoonheid van de natuur, de interessante cultuur, de rust, de mooie gebouwen. Nee hoor dat zijn alleen maar excuses om even verlost te zijn van de onvermijdelijkheid van het alledaagse, om even de illusie te hebben dat het allemaal anders kan. Daar doe ik dus enthousiast aan mee. Ook de gepensioneerde, voor wie het toch het hele jaar vakantie is, moet er zo af en toe even helemaal uit.
Daarginds las ik het laatste boek van Cees Nooteboom. Die heeft het goed voor elkaar, dacht ik. Zodra je er boeken over schrijft, heb je een prachtig excuus om weg te zijn. Dan ben je niet op vakantie, maar dan ben je op reis. En het doel van je reis is dan misschien geen conferentie of iets anders nuttigs klinkends, maar een boek. Vanaf heden ben ik nooit meer op vakantie. Als ik weg ben, ben ik gewoon bezig aan een boek.

Pinkstergebed

Ik heb vanochtend mijn Pinkstergebedje gedaan. Al maanden zit ik met Annie M. G. Schmidts prachtige ‘Op een mooie pinksterdag’ in mijn hoofd. Niet dat ik de hele tekst uit mijn hoofd ken, maar het
Morgen kan ze zwanger zijn
Kan ook nog vandaag
Kan van de behanger zijn
Van een Franse zanger zijn
Of iemand uit Den Haag
speelde al die tijd als een soort mantra in mijn hoofd. Soms hield ik het even niet meer en barstte in luid gezang uit. Vanochtend – op Eerste Pinksterdag – heb ik de volledige tekst opgezocht en hem zelfs op YouTube door Leen Jongewaard en André van den Heuvel horen zingen. Ik kan het nu wel bekennen: ik heb het Jongewaard destijds live horen zingen in het Amersfoortse Grand Theatre. Doorgaans bezocht ik dat voor films, maar deze keer was ik door mijn toenmalige schoonouders uitgenodigd om naar Annie M. G.’s musical te gaan kijken. Ik zou uit mezelf niet op het idee gekomen zijn. Ik ging vooral voor cultuur met een grote C. Maar ik ben er nog steeds blij om dat ik ‘Heerlijk duurt het langst’ (zo heette die musical) gezien heb. Daar was ook Conny Stuart die ons aanspoorde om vooral niet te zeuren. Van dat verheffende lied zijn er ook een paar regels die nooit meer uit mijn geheugen weg willen (over het knijpen van parkietjes bijvoorbeeld). Wat vooral intrigerend blijft, is waarom de toenmalige KRO-voorzitter en KVP-politicus Harry van Doorn de mooie pinksterdag niet op de radiogolven van zijn omroep wilde horen. Ik veronderstel dat hij er moeite mee had dat in het liedje de mogelijkheid werd geopperd dat ‘iemand uit Den Haag’ de door Jongewaard bezongen dochter zwanger zou kunnen maken. Want zou niet ‘iemand uit Den Haag’ een politicus kunnen zijn? En het was in die tijd (1967) wel bijzonder subversief om te denken dat een kamerlid een onschuldig meisje zou kunnen verleiden en zwanger maken. Van Doorn is al bijna twintig jaar niet meer onder ons, dus ik kan het hem niet meer vragen. Maar het blijft een leuk liedje. Alleen, ik vroeg mij af, behangers, bestaan die nog?

Pensiollatio

Gisteren was een vreugdevolle dag. Voor mij tenminste. Ik was er min of meer op voorbereid, maar toch kwam het als een schok, een aangename schok. Voor de eerste keer een pensioenbetaling op mijn rekening. Vroeger – ik zal maar zeggen toen ik nog motor reed – leek me pensioen typisch iets voor oude mensen dus per definitie niet voor mij. Dat ikzelf ook ouder zou worden en misschien wel de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken, was iets dat mijn bewustzijn weigerde te accepteren. Ik leefde in het hier en nu, en dat zou eeuwig zo blijven. Op dezelfde manier waarop je zeker weet dat je eerste nieuwe fiets altijd mooi zal blijven en dat je eerste verliefdheid ook eeuwig duurt. Ik ging daarin niet zover als mijn geliefde die haar pensioen afkocht want waar zou ze dat nou voor nodig kunnen hebben? Niet dat ik zoveel verstandiger was, maar ik was grondig geïmpregneerd met de gedachte dat vele generaties arbeiders gestreden hadden voor een menswaardige oude dag en dat ik die aldus verworven rechten eer moest aandoen. Daar beleef ik nu dus inderdaad plezier aan. Een plezier dat een beetje bedorven wordt doordat ik zowel door de Franse als de Nederlandse pers doodgegooid word met ouderen die blijven doorwerken, die helemaal geen pensionado willen zijn. Nou wil ik dat ook niet. Ik moet er niet aan denken om als gepensioneerde beschouwd te worden. Maar ik wil alleen maar werken met het idee dat het lekker niet meer hoeft en dat als ik het toch doe, ik dat alleen maar doe omdat ik het lollig vind. En ik wil me helemaal niet door Ciska Dresselhuys laten vertellen dat ik het aan mezelf verplicht ben om door te werken. Dat is een nieuw soort politieke correctheid waar ik helemaal niets mee heb. En nu ik het dan toch over politieke correctheid heb, het is me opgevallen dat die term een revival beleeft. Ik vond het typisch een kreet van een jaar of twintig geleden, maar ik kom hem weer steeds vaker tegen. Het erg vinden dat Dominique Strauss-Kahn als presidentskandidaat uitgeschakeld is, is niet politiek correct want we moeten eerst denken aan haar die het mogelijke slachtoffer van zijn niet-bewezen seksuele agressie is. Maar ik dacht er vooral aan dat Frankrijk een enorme kans mist om definitief van Nicolas Sarkozy af te komen. DSK leek, nog voor dat hij zich kandidaat verklaard had, regelrecht op het presidentschap af te stevenen. En dat moeten we bij de overgebleven socialistische kandidaten nog maar afwachten. En ik moet er echt niet aan denken nog een keer vijf jaar met Sarko verder te moeten. Het enige waar die echt goed in is, is te overleven in de slangenkuil van de rechtse politiek. Maar daar maak je geen beleid mee. Sterker, dat is het laatste waar je Sarko op kunt betrappen. Of het zou moeten zijn dat hij altijd weer een slinkse manier vindt om onder de noemer van grotere rechtvaardigheid de rijkste 0,1 procent van de Fransen een fiscaal cadeautje te geven. En zich daarmee verzekert van voldoende fondsen voor zijn verkiezingscampagne. Nog afgezien van zijn asociale wanbeleid, ik gun het deze opgewonden kever gewoon niet dat hij opnieuw mijn president mag worden. En DSK was tot voor kort de zekerste kaart om dat te voorkomen. Nu moet ik ’s ochtends op mijn nuchtere maag aanhoren over vermeende fellatio’s die door het vermeende slachtoffer op de toen nog algemeen directeur van het IMF zouden zijn uitgevoerd. Het belooft nog een hete zomer te worden.

Unfortunately peanutbutter

‘Wat valt u op als u weer terug bent in  Nederland?’, vroeg de interviewster. De geïnterviewde meldde dat hij niet verder dan Amsterdam was gekomen en dat hij zich daar nog steeds helemaal thuis voelde. Aangezien niemand mij over dit noch enig ander onderwerp interviewt, stel ik meestal maar mezelf deze klemmende vraag. Deze keer had ik een voldoende mate van afstand van mijn vaderland om er eens goed tegenaan te gaan. Na anderhalve week in mijn kluizenaarshutje in de Languedoc en nog drie dagen thuis in de Bourgogne, gingen wij op weg naar Nederland. De geuren van de garrigue  zaten nog in mijn longen en het geluid van de tramontane nog in mijn oren toen wij op een uurtje rijden van huis op de snelweg kwamen. Maar toen was ik meteen weer in Nederland. We bleken ons gevoegd te hebben in een onafzienbare stroom van Nederlandse kentekenplaten richting het noorden. Met onze Franse platen hadden we heel wat bekijks. Tijdens de tussenstoppen hoorden we enkel Nederlands om ons heen of minstens een dialect dat daar iets van weg had. Dus wat was het eerste dat mij opviel? Nog voor wij zelfs maar geografisch gezien in Nederland waren, bleek ons dat Nederlanders die een weekje vrij hebben zich massaal naar Frankrijk begeven.
Het tweede opvallende feit is moeilijker te interpreteren. Op onze bestemming aangekomen, fietste ik naar de Chinees op de hoek voor een meeneemmaaltijd zodat wij al etend van de mooie voortijdige zomeravond zouden kunnen genieten. Bij de Chinees trof ik het voltallig bedienend personeel etend aan. Er was namelijk niet één klant in het hele gigantische restaurant te bekennen. Nou kom ik daar wel eens vaker en normaal zijn er altijd mensen. Maar nu op de uitgaansavond bij uitstek, zaterdag: niemand. De dienstdoende Chinees verklaarde dat met het feit dat het de volgende dag moederdag was. Ik heb erg mijn best gedaan het verband te zien, maar het lukte niet. Wat niet wegneemt dat moederdag in Nederland blijkbaar zo belangrijk is, dat men er de avond tevoren al voor thuis blijft.
En dan ben ik nu aangeland bij mijn immer terugkerende steen des aanstoots: Nederlanders verwaarlozen hun taal en de media lijken daarin een voortrekkersrol te spelen. Als er een relatie bestaat tussen slordig taalgebruik en slordig denken – en het lijkt me dat die inderdaad bestaat – dan geef ik niet veel voor de toekomst van dit land. Het begon zondagochtend al toen ik voor het eerst de radio aanzette. ‘Dan kun je nu een riekwest voor een plaatje doen’, kwetterde de omroepster vrolijk. Ik heb het vervolg niet afgewacht en onmiddellijk de radio weer uitgezet om mijn serene zondagochtendstemming niet te laten bederven. In vroeger tijden kon je zondagochtend de tale Kanaäns op de radio beluisteren. Ik geef toe, ook niet alles en zeker niet mijn favoriete tijdverdrijf van weleer, maar het was tenminste wél correct Nederlands. De presentatrice van het tv-weerbericht liet vervolgens de zon opgaan en in de geschreven pers struikel je over de betreffende personen en de betreffende zaken. Terwijl in hun eigen stijlboeken toch duidelijk staat hoe het wél moet. Over de verwarring tussen dat en wat zullen we het maar helemaal niet hebben, want daar bezondigen zelfs literaire vertalers zich aan. Mijn zoon vertelde mij laatst over een medestudent die zich in vijf talen goed kan redden – zelfs op universitair niveau – maar niet één taal echt helemaal beheerst. Ik hoop niet dat dat het prototype van de gemondialiseerde (of moet ik om me begrijpelijk te maken, schrijven: geglobaliseerde?) mens is. Dan wordt er over een halve eeuw geen mooi boek meer geschreven. En al helemaal niet in het Nederlands. Unfortunately peanutbutter.
Laatste opvallende feit: de sierlijke witsnuitlibel is terug. Nou niet flauw doen en mij vragen of ik wist dat ‘ie weg was. Ik vond het fantastisch dat deze bedreigde diersoort weer onder ons is. Totdat ik de voorzitter van de libellenvereniging op de radio hoorde. ‘Kunnen we de sierlijke witsnuitlibel op internet zien?’, vroeg de interviewer. ‘Jazeker’, antwoordde de voorzitter. ‘Maar beter is natuurlijk om hem in het echt te gaan bekijken en hem met een motorbootje in de Weerribben te gaan opzoeken.’ In Frankrijk denken veel mensen dat Nederlanders in milieubewustzijn de Fransen ver vooruit zijn. Ik kan ze geruststellen.
  

Onze onderwijzeres

Afgelopen nacht logeerde de onderwijzeres van onze zoon bij ons. Wij verwijzen naar haar als ‘de’ onderwijzeres omdat de leerkracht die hij daarna kreeg die naam eigenlijk niet verdiende. Dat was – hoewel zij erg jong was – een kinderkweller van de soort zoals je ze in boeken wel eens tegenkomt. De onderwijzeres van onze zoon gaf les aan de eerste twee klassen van de lagere school in een naburig dorp. Zij was de ideale persoon om je kind aan toe te vertrouwen, zeker onder het soort lastige omstandigheden als van een emigratie. Nog voordat wij in Frankrijk kwamen wonen, mocht Serge – onze zoon – iedere keer dat wij op onze aanstaande woonplaats waren zoveel tijd bij haar in de klas doorbrengen als wij wilden. Op die manier kon hij alvast een beetje warm lopen en omdat ze twee jaar onder haar hoede had, zou hij dan alvast een aantal van zijn toekomstige klasgenoten kennen. Aangezien zijn woordenschat zich beperkte tot Bonjour en Au revoir zou de communicatie noodgedwongen wat beperkt blijven, maar voor het achter een bal aanrennen, met verf kliederen en legostukjes in elkaar zetten, heb je geen grote taalvaardigheid nodig, dus dat verliep allemaal voorbeeldig. Ik bleef gedurende zijn eerste Franse schooluren in de buurt zodat hij zich veilig zou voelen en ik als tolk kon fungeren. De vraag ‘Wat zegt ‘ie nou?’ zit zodoende bijna fysiek voelbaar in mij gekrast. Gedurende zijn eerste maand dat hij echt op school zat, bleef een van ons een uur lang in de klas, totdat Serge aangaf dat hij het verder wel alleen afkon. Een mooiere integratie in het Franse onderwijs was nauwelijks denkbaar. Maar wat wij al die tijd niet wisten, was dat onze onderwijzeres in flagrante strijd met de regels handelde. Als onze Serge het nodig had gevonden gedurende die eerste periode van kennismaking een van de kinderen in elkaar te timmeren, had dat een voortijdig einde van haar loopbaan kunnen betekenen. Er heerst namelijk op dit deel van het Franse platteland – en als ik over de Tweede wereldoorlog in andere delen van Frankrijk lees, vrees ik dat het niet alleen voor deze streek geldt – een klikcultuur. Als iets je niet aanstaat, dan stap je niet op de betrokkene af om dat te zeggen, maar ga je achter diens rug om smoezen. De centrale figuur in dit soort roddelcampagnes op dorpsniveau is doorgaans de burgemeester. Als die daar geen korte metten mee maakt, kan het een soort etterend gezwel worden. Zo weten wij van een naburig dorp dat geen enkele onderwijzeres het daar langer dan een jaar uithield, gewoon omdat de burgemeester het woord van ouders altijd zwaarder liet wegen dan dat van de maîtresse. Zelfs met steun van de inspecteur van het onderwijs, resulteerde dat steeds weer in onhoudbare situaties, zoals de gemeenteraad die het schoolbudget tot nihil reduceerde. Voor diegenen die destijds de film  Être et avoir hebben gezien: dat was ongetwijfeld ook een realiteit, maar niet de gangbare. Vaak genoeg wordt goedwillende onderwijskrachten het werken onmogelijk gemaakt omdat ouders vinden dat al die nieuwlichterij niet nodig is, tenslotte hebben zij fatsoenlijk leren lezen en schrijven zonder al dat moderne gedoe. Trouwens, in de tijd van hun  ouders was het eigenlijk stukken beter. Tegen dit soort redeneringen kom je met geavanceerde pedagogische inzichten niet erg ver. En als het ministerie van Onderwijs dit soort primitieve opvattingen sanctioneert door de hele pedagogische opleiding van onderwijzers te schrappen, dan kun je je er iets bij voorstellen dat hier het totale onderwijsveld te hoop loopt tegen de regering.
Gelukkig gaat onze onderwijzeres nog steeds door zich niets van de regels aan te trekken als zij die schadelijk vindt voor het kind. Als een kind openlijk agressief gedrag vertoont, is zij verplicht dat bij de onderwijsinspectie te melden. Dat doet ze dus niet, omdat ze weet dat daarmee iedere kans op een normale schoolloopbaan voor zo’n kind verkeken is. Als een kind in vervuilde staat op school aankomt, is zij verplicht dat aan de inspectie te melden. Zij geeft er de voorkeur aan het kind mee naar huis te nemen en daar in bad te stoppen en het probleem met de – invalide – moeder te bespreken, in plaats van het kind in de armen van de Sociale Dienst te drijven.
Te weten dat er mensen als onze onderwijzeres bestaan, doet me altijd weer goed. Mensen die de moed hebben om hun eigen gevoel voor rechtvaardigheid en menselijkheid zwaarder te laten wegen dan de regels, daar kunnen we er niet genoeg van hebben. Patricia, zo heet onze onderwijzeres, is inmiddels alweer meer dan tien jaar terug in haar geboortestreek. Zij kon hier in de Morvan uiteindelijk moeilijker integreren dan wij. Hier ging ze er aan onderdoor, aan het wantrouwen en de tegenwerking van de ouders, het altijd als vreemdeling te worden beschouwd. Daar is zij Provençaalse onder de Provençalen en kan ze als zelfstandig denkend mens haar gevoel voor goed en slecht volgen zonder zich afgewezen te voelen. Helaas is er in Frankrijk geen gevoel zo goed ontwikkeld als het wij-gevoel. En ‘wij’ houden er blijkbaar van ‘zij’ uit te sluiten, onschadelijk te maken.