Eens in de zoveel tijd doe ik een donatie aan Amnesty. Niet automatisch want daar houd ik niet van, maar gewoon als ik denk: het wordt weer eens tijd. Het gevolg daarvan is wel dat ik daardoor voortdurend bedelbrieven plus cadeautjes krijg. Door het hele huis zwerven de nagenoeg onbruikbare balpennetjes van Amnesty International. Maar de laatste keer kreeg ik zo’n zwart tasje van ze waar je eigenlijk niets mee kunt doen behalve folders instoppen die je vergaart op een vakantiebeurs of op de HISWA. Ik heb er vele van, afkomstig van een Nigerijnse mensenrechtenorganisatie tot een spijkerbroekenwinkel. Voor mijn Amnesty-tasje heb ik nu een goede aanwending gevonden. Wij waren namelijk een paar dagen naar Parijs. Dat betekende dat we onze hond mee moesten nemen omdat pogingen hem ergens te laten logeren tot fiasco’s van verschillende aard hebben geleid, variërend van weglopen tot het doorknagen van een antieke houten deur.
Wij laten Mapenzi, zo heet onze hond, normaliter drie keer per dag uit, zelfs als hij de hele dag buiten is, want we hebben liever niet dat onze grasmat ontsierd wordt door hondendrollen. Dat weet hij, dus hij wacht met het naar de wc gaan tot we ons woonerf verlaten hebben. Dan zijn we ook meteen in zeg maar de vrije natuur, dus zijn er geen beperkingen in de keuze van de plek waar hij zich door zijn achterpoten laat zakken. Maar in de stad ligt dat anders wisten wij. Daar bestaan hoge boetes voor wildpoepen en bovendien vind ik het zelf niet prettig om op het trottoir tussen de hondendrollen te moeten slalommen. Nu zijn er altijd nog de straatgoten die in Parijs dagelijks worden schoongespoeld dus dacht ik dat die wel een goed alternatief zouden bieden, maar nee hoor die vallen ook onder het categorische verbod op hondendrollen. Dus zou ik mij voor het eerst in mijn leven van hondenbezitter bij het uitlaten moeten wapenen met plastic zakken en een schepje. Daarbij kwam het Amnesty-zakje zeer van pas: de juiste afmetingen en tegelijk maakte ik reclame voor de goede zaak.
In onze eerste grote wandeling was het Parc Georges Brassens inbegrepen. Dat leek ons handig want onze Mapenzi houdt er niet van om op steen of asfalt te defeceren. Op de hondenpagina van de website van de Ville de Paris had ik gevonden dat honden daar op de paden waren toegestaan. Maar dat was buiten een paar overijverige dienders gerekend die ons onverbiddelijk naar de uitgang verwezen. Mapenzi sloeg zich manmoedig door deze tegenslag heen, maar toen hij op de terugweg ergens een paar vierkante meter ongeplaveide grond zag werd het hem te machtig. Het resultaat mocht er wezen. Toen ik met schepje en plastic zak uit mijn Amnesty-tasje in de weer was, kwam een dakloze belangstellend staan kijken naar mijn bezigheden. Hij becommentarieerde ze ook. Het was maar goed dat ik mij aan de gemeentelijke verordening terzake hield want anders kon mij dat op een boete van wel 84 € komen te staan. Ik was er op dat moment niet helemaal van overtuigd of ik niet liever die boete zou betalen dan dat ik voor publiek bezig was Mapenzi’s uitwerpselen op te rapen. Bovendien loop je vanaf dat moment niet alleen met dat Amnesty-tasje, maar ook met een plastic zak met stinkende bruine smurrie en juist dan is er natuurlijk geen vuilnisbak in zicht. Na het oversteken van verscheidene kruispunten was hij er dan eindelijk: de transparante plastic zak opgehangen onder een groene deksel. En hij was nog helemaal maagdelijk ook. Ik liet er met een zucht van verlichting mijn handbagage in ploffen. Toen wij tien meter verder waren, zei mijn vrouw ‘kijk eens achterom’. Ik zag dat mijn plastic zak dwars door de bodem van de vuilniszak was heengeschoten en op het trottoir te pletter was gevallen.
Seydou
‘Ja, ja, zo hebben we allemaal wel ergens onze sentimentele erfenis’, zei ooit een collega tegen mij. Bij zo’n uitspraak kun je je natuurlijk van alles voorstellen, maar vast niet waar het in ons gesprek over ging. Ik zat op dat moment tussen twee contracten in. Ik was alweer een tijdje terug van een verblijf van drie jaar in Tanzania en zou binnenkort uitgezonden worden naar Burkina Faso. Degene wiens plek ik zou gaan overnemen in Burkina had mij gevraagd of ik zijn – ja hoe zal ik dat nou eens zeggen? in Engelstalige landen werd dat nog wel naar goed koloniaal gebruik de boy genoemd, in Franstalige landen was het eerder een cuisinier, een kok dus – laat ik maar zeggen bediende wilde overnemen en of hij dan aan zijn tante mijn bankrekening mocht doorgegeven zodat zij periodiek een bedragje voor Seydou kon overmaken. Hij vroeg het mij met een zekere gêne. Daar waren twee redenen voor. In de eerste plaats was Seydou helemaal geen cuisinier. Hij kon nog geen aardappel koken, nog geen eitje bakken. Dus ja, behalve voor het schoonmaken zou ik eigenlijk niet zoveel aan hem hebben, dus had mijn voorganger er alle begrip voor als ik ‘nou nee, bedankt’ zou zeggen. Maar hij was eigenlijk vooral gegeneerd door zijn eigen medeleven met Seydou. Wij geharde tropengangers hadden toch geen last van zulk soort sentimenten? Mooi wel dus. En ik ook, want ik nam Seydou over in de wetenschap dat er goede koks bij bosjes voor het oprapen lagen, gewoon omdat ik hem niet brodeloos wilde maken. En daarmee werd Seydou tegelijk mijn sentimentele erfenis. Spijt heb ik daar nooit van gehad. Hij bleek een ontzettend aardige jongen van een jaar of twintig te zijn. En hij was prima geschikt voor alle voorkomende huishoudelijke klussen die hij uitvoerde alsof er niets leukers op de wereld was, maar koken, nee, daar wist hij echt helemaal niets van. Om niet zelf straks te blijven zitten met een sentimentele erfenis die mij nog lange tijd zwaar op de maag zou liggen, besloot ik te doen wat zijn vorige werkgever natuurlijk ook had moeten doen, namelijk om hem op kookles te sturen. Daarmee, zo was mijn gedachte, zou zijn marktpositie aanzienlijk versterkt worden en zou hij niet brodeloos raken als mijn opvolger onverhoopt zou besluiten hem niet in dienst te nemen. Dat was niet slecht bedacht want mijn opvolger nam zijn eigen kok mee. Hij kwam van driehonderd kilometer verderop waardoor die arme man zijn familie zelden meer zag. Ik denk dat je dat nog net geen slavernij mag noemen. Dus Seydou ging op stage. Drie keer per week mocht hij meelopen met een door de wol geverfde kok in een bevriend huishouden. En de andere drie keer kon ik als een echte koloniaal ervan genieten dat bij thuiskomst de maaltijd voor mij klaarstond. En verder had ik dezelfde gêne als mijn voorganger, want vertellen deed ik dit verhaal niet. Want wij zaten dan wel in ontwikkelingshulp, maar goed doen, gewoon van mens tot mens, nee, dat was toch eigenlijk not done.
Doorlopers
Mijn oude Friese doorlopers gaan weg. Dat snijdt door mijn hart. Ik zou het alleen met de herinnering moeten kunnen en ze kunnen beter nu maar vast weg dan dat ik bij de onvermijdelijke volgende verhuizing de knoop moet doorhakken. En toch. Ze zijn van voor de oorlog. In het ijzer staat Beetsterzwaag gestanst en daar woonden mijn ouders in het begin van de oorlog. Zou mijn moeder er nog op geschaatst hebben? Bij gebrek aan overlevenden van die periode zal ik daar nooit meer achterkomen. Ik heb er wel op geschaatst, zoveel is zeker. De oranje gestreepte banden die je om je schoenen moest knopen, zitten er nog aan. Een beetje vaal geworden, maar nog duidelijk herkenbaar als de boosdoeners die altijd losgingen. Goede herinneringen heb ik niet aan die schaatsen. Ze herinneren me vooral aan de verkleumde vingers waarmee ik de los onder mijn schoenen slingerende schaatsen weer probeerde vast te binden, daarmee mijn tenen afknellend. Wat mij betreft had het nooit meer hoeven te vriezen. Zou ik mooi van de plicht tot ijspret verlost zijn. Betere tijden braken aan toen ik op mijn vijftiende een paar hockeyschaatsen bij elkaar had gespaard (die ik ook nog heb). Maar de Friese doorlopers gaan weg. Het besluit is gevallen. Ik zal een foto van ze maken. Dat zou ik systematisch kunnen doen van alle dingen waar ik toch eens afscheid van moet nemen. Ga ik dan ook foto’s maken van mijn Ely Chinoy en mijn Paul A. Samuelson? Misschien wel. “Heb jij je Chinoy al gehaald?”, hoorde ik de ene tweedejaars student aan een andere vragen. Wat klonk dat ver weg als je nog aan die pil moest beginnen. Maar waarom kan ik eigenlijk geen afscheid van dingen nemen terwijl de beelden toch zo levendig in mijn hoofd zitten? Bang dat die eens zullen vervagen? Maar dan heb ik aan die voorwerpen ook niets meer, want die zijn vooral belangrijk doordat ze aan herinneringen gekoppeld zijn. Ik vrees dat ik hier nooit uitkom en dat iedere keer dat ik mij de vraag stel “Kan dit eigenlijk niet weg?” weer even pijnlijk zal zijn. Tenzij. Beste bloglezer, heb jij niet verschrikkelijk behoefte aan een paar Friese doorlopers, origineel handwerk van voor de oorlog en in gegarandeerd uitstekende staat?
Eerlijk waar
‘Mais franchement’. Zodra die twee woorden worden uitgesproken, gaan al mijn haren recht overeind staan. Vooral als het een politicus is die het zegt. Letterlijk betekent het zoiets als ‘eerlijk gezegd’, maar de uitdrukking is verworden van ‘zonder flauwekul’ of ‘iedereen weet toch dat’ tot ‘je gaat me toch niet tegenspreken’ of ‘als je iets anders beweert dan wat ik nu ga zeggen ben je wel de grootste onbenul die er op twee benen rondloopt’. Kortom, als de president van de republiek die woorden uitspreekt dan is er meer dan gewone aandacht nodig om te horen wat erop volgt. Des te vreemder dat er tot nog toe niemand gereageerd heeft op Sarkozy’s uitspraak dat er ‘franchement’ nu toch eens opgehouden moet worden om die anderhalf miljoen jagers in Frankrijk dwars te zitten. Die behoren toch al niet tot de beterbedeelden, zijn voor een deel zelfs werkloos, en dan gaan we toch niet die zielepoten van hun pleziertje afhouden om een massaslachting onder de trekvogels aan te richten? Hij zei het niet letterlijk zo, maar ik zweer het dat het daar precies op neer kwam. Ik begrijp natuurlijk ook wel dat die duizenden trekvogels helemaal niets beteken tegenover een BTW-verhoging met 1,6%. Wat daar ging het eigenlijk over, die 80 minuten dat een viertal journalisten gisteren de president mochten interviewen, hetwelk over negen (!) kanalen werd uitgezonden. Sarkozy heeft daarmee zeven-en-een-half miljoen kijkers bereikt. Zijn uitdager voor het presidentschap François Hollande had een week eerder maar één kanaal tot zijn beschikking en haalde daarmee zes miljoen kijkers. Als we dat met negen vermenigvuldigen, hoeven we ons over de toekomst van Sarkozy geen zorgen te maken: die kan rustig trekvogels gaan schieten. Terwijl die BTW-verhoging niet doorgaat omdat hij de verkiezingen heeft verloren. Maar franchement,die trekvogels, is er nog iemand die zich daar om bekommert?
93 dagen
De komende drie maanden zijn voor mij puur geluk. Op 22 april vinden namelijk de Franse presidentsverkiezingen plaats. Dat lijkt op het eerste gezicht niet een reden om iemand in een staat van euforie te brengen. En sinds ik in Frankrijk woon, is dat om die reden ook nog nooit gebeurd. Ik heb de verkiezingscampagnes van 1995, 2002 en 2007 van nabij gevolgd. Nou ja, van nabij, vanuit Frakrijk. Ik heb in de buurt van mijn woonplaats nooit een presidentskandidaat zien langskomen, behalve Arlette Laguiller van Lutte Ouvrière, maar dat was geen echte kandidaat, dat was een Trotskiste die de arbeiders op hun historische opdracht wees. Het heeft niet geholpen. We zijn verder dan ooit verwijderd van de linkse revolutie.
In 1995 heb ik de strijd tussen Chirac en Jospin meegemaakt. Daarvan was alleen het voorspel interessant, namelijk de manier waarop Chirac het klaarspeelde om zijn partijgenoot Edouard Balladur uit te schakelen. Daarna was het een gelopen race. Jospin was in de strijd gekomen doordat ex-Europese Commissie baas Jacques Delors van zijn kandidatuur afzag. Voor mij was Jospin op dat moment een volslagen onbekende figuur. Hij scheen minister van Onderwijs geweest te zijn en was op dat moment eerste secretaris van de Parti Socialiste. In 2002 was het diezelfde Jospin die opnieuw in het strijdperk trad tegen diezelfde Jacques Chirac. Inmiddels was Jospin vijf jaar premier geweest onder de rechtse Chirac en had op zeer kundige wijze onder lastige omstandigheden een progressief beleid neergezet. Dat leek dus ook een gelopen race te gaan worden. Ware het niet dat alle linkse splinterpartijtjes zonodig met hun eigen presidentskandidaat moesten komen en op die manier Jospin beroofden van de nodige stemmen om in de tweede ronde te komen. In plaats van hem mocht Jean-Marie LePen het tegen Chirac opnemen. Dat is een zodanig traumatische ervaring geweest dat het welhaast onmogelijk is dat zo’n drama zich de komende tijd zal herhalen. In 2007 waren de socialisten zo dom om Ségolène Royale als hun kandidaat te kiezen. Als ze toen Dominique Strauss-Kahn hadden gekozen, had die de strijd van Sarkozy gewonnen en had hij bovendien niet in een New-Yorks hotel de strapatsen uit kunnen halen die hem later noodlottig zijn geworden. Een typische win-win situatie dus. Bovendien was zijn vrouw, Anne Sinclair, een veel leukere first lady geweest als die muis van een Bruni. Dit laatste heeft niets met sexisme te maken. Anne Sinclair heeft gewoon duizend keer meer te melden dan Carla Bruni.
Conclusie: er viel dus weinig te lachen, die afgelopen drie keer. Dat was in 1988 wel anders toen François Mitterand de vloer aanveegde met Chirac. Maar nu wordt het allemaal nog veel leuker. Na bijna vijf jaar ergernis over president Sarkozy, kan ik nu eindelijk om hem lachen. Waarom? Omdat hij vanaf mei geen president meer is, dat zelf ook heel goed weet, maar voortdurend de schijn ophoudt dat hij gelooft, nee weet, dat de Fransen hem opnieuw tot hun leider gaan uitverkiezen. Met die wetenschap wordt alles wat Sarko doet en zegt ontzettend komisch. Kon ik mij tot voor kort mateloos opwinden over de manier waarop hij ons toespreekt als een klasje debiele kleuters, nu lig ik dubbel van het lachen om deze fantastische persiflage van zichzelf. Hij is even leuk als Groucho Marx, op wie hij trouwens ook heel veel lijkt: een klein gewichtig doenerig mannetje dat veel te grote stappen neemt. Dit laatste mag ook in figuurlijke zin begrepen worden: hij loopt voortdurend een veel te grote broek op te houden. Nee, voor mij kunnen ze niet meer stuk, die komende 93 dagen, wetend dat Sarko zijn publieke optredens de komende tijd gaat verveelvoudigen. Dat wordt genieten. Dat is iedere avond Laurel en Hardy plus de Marx brothers. O, of het resultaat van die verkiezingen er voor mij nog toe doet? Ja jeetje, daar vraag je me wat. François Hollande, de kandidaat van de Parti Socialiste gaat het dus worden. Dat is iemand waar ik niet warm of koud van word. Hij heeft niet de daadkracht en de helderheid van een Lionel Jospin, maar het zal met hem ongetwijfeld een stuk beter gaan dan met Sarko. De grote vraag is alleen tegen wie hij het in de tweede ronde moet opnemen. Ik gooi er nu een gewaagde prognose tegenaan: dat wordt de zelfverklaarde centrum-kandidaat François Bayrou. Sarko blijft in de eerste ronde steken op ongeveer hetzelfde percentage als Marine LePen, die de extreem rechtse boodschap beter weet uit te dragen dan haar vader. Daar wordt ik daarentegen helemaal niet vrolijk van.
P.S.: Ik had het fout. Sarko kwam toch in de tweede ronde. En als die geen twee maar drie weken had geduurd, had hij waarschijnlijk nog gewonnen ook.
Parijs
Tien maanden geleden bracht ik mijn zoon naar een bejaardentehuis. Daar heb ik toen op mijn blog nog een verhaaltje over geschreven. Vorige week heb ik hem geholpen naar Parijs te verhuizen, een passender bestemming voor een twintiger. Hoewel hij het in zijn bejaardenflat in Amsterdam-noord prima naar zijn zin had en dat moet Parijs nog maar waarmaken. Wie zich met zekerheid uitstekend vermaakte in Parijs was zijn vader, ik dus. Zoals wel meer voorkwam in mijn generatie was ik al idolaat van Parijs zonder er ooit een voet gezet te hebben. Vanaf mijn twaalfde las ik alle Maigrets waar ik de hand op kon leggen en wapende me bij lezing met de plattegrond van Parijs om er toch maar vooral zeker van te zijn dat ik de plaatsen van handeling juist kon lokaliseren. Voor de bijbehorende beelden moest Simenon zelf zorgen, maar ik betwijfel of die, zoals ik ze voor me zag, veel relatie hadden met de Parijse realiteit: Amsterdam was de enige grote stad die ik wel eens van nabij had gezien. In latere jaren werd mijn beeld van Parijs langzamerhand ingevuld door de films die ik zag. Na het zien van A bout de souffle op mijn veertiende was ik een onvoorwaardelijke fan van Jean-Luc Godard, dus ik denk dat ik vooral het Parijs van Godard voor ogen had. Naar die stad moest ik toe, zoveel was wel zeker. Daar was het echte leven. Afgezien van het schooluitstapje naar Baarle-Hertog was ik nog nooit buiten de landsgrenzen geweest toen zich tijdens mijn derde studiejaar in Amsterdam de gelegenheid voordeed om met de vriend van een goede vriend naar Parijs mee te rijden. Voor onderkomen was ook gezorgd: het huis van de moeder van de vriendin van een vriend van deze twee vrienden. Mijn toenmalige geliefde en ik helemaal uitgelaten, want ook zij was behept met deze liefde voor alles wat met Frankrijk en in het bijzonder Parijs te maken had. Ondanks het feit dat wij tijdens dat Paasweekeind in Parijs ernstig ruzie kregen met onze chauffeur (dat was die vriend van die goede vriend) die dreigde zonder ons naar Nederland te vertrekken en dat de olietanker Torrey Canyon op de klippen was gelopen en zijn zwarte smurrie over de Bretonse kusten uitstortte, waren de drie dagen Parijs een groot succes. Ik had drie dagen lang het gevoel in mijn favoriete film rond te lopen. Sindsdien kan Parijs bij mij niet meer kapot. Wat ik er vooral aan heb overgehouden is de geur: sindsdien weet ik hoe Parijs ruikt. En dat maakt ook een film die zich in Parijs afspeelt tot een andere ervaring. Sindsdien had ik niet alleen de beelden en het geluid, maar ook de geur. En zo kon ik vorige week, toen ik met mijn zoon in zijn nieuwe onderkomen was aangekomen, constateren: ‘Je bent nu echt in Parijs’. Hij keek me verbaasd aan en ik legde hem uit dat het die specifieke geur in een Parijs’ appartement was die mij vijfenveertig jaar geleden was opgevallen en mij altijd is bijgebleven. En opeens had ik weer dezelfde behoefte als toen om Parijs te ontdekken en er niet alleen maar, zoals de afgelopen twintig jaar, op doorreis te zijn, of voor die ene expositie. Nee, gewoon doelloos door Parijs dwalen. En zo ben ik drie dagen lang te voet, per bus, tram of, als het echt niet anders kon, per metro kris-kras door die stad gezworven. En echt, Parijs is daar nog steeds een ideale stad voor.
Sisyphus in de Bourgogne
2011 is geloof ik het jaar van alle records. Op het moment dat ik dit schrijf – 28 december om 15.40 uur – schijnt de zon op mijn kruin en wijst de thermometer buiten 11° in de schaduw aan. In andere jaren lag er vaak op dit tijdstip een bevroren meer voor ons en maakten wij wandelingen in het besneeuwde landschap om ons heen. Niets van dat alles. Bovendien kan ik nog een record toevoegen aan het lijstje dat we dagelijks in de media gepresenteerd krijgen. 2011 was het record bladerenopruimjaar. Ik heb nog nooit zoveel uren aan het opruimen van dode bladeren besteed als dit jaar. Tegen tien november had ik de tuin keurig schoongeharkt. Dat moest ook wel want de elfde zouden we naar Nederland vertrekken en ik zou pas na een maand weer terugkomen en net zo min als ik bij thuiskomst de vuile afwas op de aanrecht wilde aantreffen, wilde ik de tuin vol met bruine massa zien in verschillende stadia van ontbinding. Dat werd dus een race tegen de klok, maar het lukte: de dag voor vertrek keek ik tegen een opgeruimde tuin aan. Nou hingen er op dat moment nog wel wat bladeren aan de platanen maar met een beetje goede wil – dat wil zeggen noordenwind – zouden die allemaal het meer in geblazen worden en niet naar mijn tuin. Dat viel helaas een beetje tegen. Het had in mijn afwezigheid stevig gewaaid en natuurlijk niet alleen maar in de goede richting. Ik wist dus wat mij bij thuiskomst te doen stond. Welgemoed ging ik met hark en kruiwagen in de weer totdat het in de directe omgeving van het huis weer een beetje bladervrij was. Omdat er nergens meer een blad aan een boom hing, wist ik dat dit onvermijdelijk de laatste harkronde was. Dat maakte het wat minder erg, want niets is meer frustrerend dan dag na dag, week na week dode bladeren vanaf exact dezelfde plekken te moeten wegharken. En toen kwam half december die najaarsstorm die op zich alweer een record was. Hij heette Joachim en kwam met de maximaal toegestane snelheid op de tolwegen over dit deel van Frankrijk razen. Dankzij Joachim lag het overal waar ik het zo zorgvuldig had schoongeharkt nu weer vol bladeren en bovendien met afgerukte takken en dennenappels. Ik heb even overwogen mij gewonnen te geven (dat zou dan misschien geen record geweest zijn, maar wel een mijlpaal: 2011, Ton staakt de strijd tegen de gevolgen van natuurgeweld), maar verhalen indachtig van mensen die het afleggen tegen de natuur met de daaropvolgende onvermijdelijke verloedering ten gevolge, besloot ik de hark aan zijn winterslaap te ontrukken en als een volleerd nakomeling van Sisyphus opnieuw het onwillig gebladerte in het gareel te brengen. Dat levert dan weer een nieuw record op: op 31 december 2011 zal Ton er – in tegenstelling tot andere jaren en ondanks zijn niet te evenaren volharding – niet in zijn geslaagd zijn tuin bladervrij te krijgen.
Fluiten in het donker
Er zijn vele manieren om een stad te leren kennen. Maar de manier waarop ik afgelopen zaterdag de wijk Kattenbroek in Amersfoort heb ontdekt, was voor mij geheel nieuw. Ik hou ervan een voor mij onbekende stad te verkennen zonder een vooropgezet plan. Op goed geluk proberen de structuur te ontdekken door vanuit een centrale plek steeds grotere bewegingen naar buiten te maken en – als dat veelbelovend lijkt – dwarsverbindingen te leggen tussen de aldus gevormde vingers. Zo heb ik mij veel grote steden in Europa eigen gemaakt. Dat zal ook de reden zijn dat ik mij grote steden in Afrika veel minder gemakkelijk kon ontdekken omdat daar voor de gemiddelde Europeaan de auto het geëigende vervoermiddel is. En een auto gaat te snel. Op hetzelfde moment dat je denkt te weten waar je bent, ben je alweer ergens anders en daar raak je vooral gedesoriënteerd van. Zo voelde ik me in Ouagadougou pas echt thuis toen ik de auto in de garage liet staan en de stad op mijn wrakke lokaal gefabriceerde Peugeot-fiets doorkruiste. Maar zoals gezegd, Kattenbroek heb ik op geheel andere wijze ontdekt. Niet dat ik het allemaal zo goed heb kunnen zien. Het was namelijk al wat later op de avond. Bovendien was het helemaal niet mijn bedoeling om die wijk te ontdekken, maar al kriskras rondfietsend merkte ik dat er veel bezienswaardigs om mij heen was. Moorse villa’s, Gaudi-achtige bouwsels, huizen die mij aan ontwerpen van Oscar Niemeyer deden denken. Kortom, ik waande mij eerder in een exotisch oord dan in Amersfoort. Zoals gezegd heb ik het allemaal niet erg goed kunnen zien. Behalve dat het donker was, was ik daar niet om architectonische kunstwerken te bezichtigen. Ik was namelijk op zoek naar onze hond. Hij heet Mapenzi en hij was een avondje logeren bij vrienden terwijl wij een gezellig etentje bij familie hadden. We hadden het toetje net op en hadden ja gezegd op de vraag of wij koffie wilden, toen er gebeld werd door Mapenzi’s gastvrouw met de mededeling dat hij een half uur eerder tijdens de avondwandeling de benen had genomen. Als ergens het scheetsgewijs van Vestdijk op van toepassing kan zijn, dan is het wel op ons vertrek tussen dessert en koffie richting het verdwijnpunt van Mapenzi. Na anderhalf uur fluitend en roepend rondfietsen door woonwijken en groenvoorzieningen, werden wij aangesproken door een stel dat hun hondje aan het uitlaten was. Zochten wij misschien een hond? Ja dus. Was het een zwarte hond? Ja dus. Dan was het goed mogelijk dat hij bij een vriendin voor de kachel lag. Die had hun namelijk net meegedeeld dat er een vreemde zwarte hond was komen binnenwandelen. Ze zou haar wel even bellen (zelden heb ik zozeer het nut van mobieltjes ingezien als gedurende deze zoektocht: we hadden ons in drie equipes opgesplitst die onderling telefonisch contact hielden). Ja, hij was er nog en ja, hij had een rode halsband. Bovendien was hij heel lief. Geen twijfel mogelijk, riep ik uit, dan is het Mapenzi. Zijn naam is namelijk het Swahili-woord voor liefde. Knappe hond die met zo’n naam iedereen weggromt. Wij dus Mapenzi ophalen op zijn nieuwe maar onbedoelde logeeradres. En wat bleek? Al die tijd dat wij roepend en fluitend door de wijk fietsten, lag Mapenzi vorstelijk op een kleedje bij het gastgezin zich de liefkozingen van de jongste dochter te laten welgevallen. Eten had hij ook al gehad en kon hij eigenlijk niet blijven? Zo’n lieve hond wilden ze er wel bij hebben.
Ik heb later Mapenzi vermanend toegesproken. Niet omdat hij was weggelopen, want welke reden hij daarvoor ook gehad heeft, die zal ongetwijfeld vanuit de hondenpsychologie te rechtvaardigen zijn. Maar dat hij zich zo schaamteloos inlikt bij een stel vreemden en daar gaat liggen doen alsof hij thuis is terwijl wij ons de longen uit ons lijf roepen en kilometers door exotische oorden fietsen, nee, dat is zijn naam onwaardig.
Negentig seconden
Wel eens geprobeerd veertig jaar eigen levensgeschiedenis in pakweg negentig seconden samen te vatten ? Het is een interessant experiment, maar toen het zover was, heb ik het toch maar niet uitgevoerd. De gelegenheid was de ontmoeting met een vriend van veertig jaar geleden. We kwamen destijds bij elkaar over de vloer, hadden gemeenschappelijke vrienden en waren allebei min (ik) of meer (hij) actief in de linkse studentenbeweging. Door omstandigheden die zeker niet binnen die negentig seconden passen, zijn we elkaar uit het oog verloren. Totdat ik in het alumniblad van mijn oude universiteit de aankondiging zag van zijn oratie wegens het aanvaarden van een bijzonder hoogleraarschap. Natuurlijk had ik niet anders van hem verwacht en bekroop mij even – heel even maar! – het gevoel dat ik ook wel in het universiteitsblad had willen staan wegens mijn aanstaande oratie, maar dan had ik toch eerst even moeten promoveren en god mag weten hoe lang universitair docent moeten zijn en ik weet nog steeds niet of ik dat er voor over zou hebben gehad vooropgesteld dat mijn intellectuele capaciteiten mij daartoe in staat zouden hebben gesteld. Ik denk wel dat ik dan met die negentig seconden had uitgekund. Dat lijkt mij een leven als ‘un long fleuve tranquille’ zoals ze dat bij ons in Frankrijk zeggen. Daar heb je het al. Als je als wetenschapper geëmigreerd bent, dan hoef je daar weinig woorden aan vuil te maken. Dan is dat gewoon omdat het wetenschappelijke klimaat op jouw vakgebied in land X interessanter is, meer uitdagingen biedt of iets dergelijks. Als ik moet uitleggen waarom ík naar Frankrijk ben verhuisd, dan moet ik zo ongeveer op de canapé van de psychoanalist. Afijn, geen ‘long fleuve tranquille’ voor mij dus. Bijna iedere keer dat ik van baan veranderde – en dat is nogal eens voorgekomen – veranderde ik ook van beroep. Dus bij het voorlezen van mijn cv in beknopte vorm, schiet ik al dik over die negentig seconden heen, laat staan wat er gebeurt als ik ga uitleggen waarom ik steeds weer van werk veranderde. En nu we het toch over Frankrijk hebben, door die hooggeleerde vriend van mij heb ik eindelijk begrepen waarom het Franse werkloosheidspercentage zo achterlijk hoog is vergeleken met het Nederlandse. Dat komt doordat Nederlanders de beschikbare arbeidsplaatsen zo verdeeld hebben dat bijna iedereen in deeltijd werkt. Maar aangezien je banen niet tot in het oneindige kunt blijven opsplitsen zal de rek er binnenkort wel uitraken en zal blijken dat Nederland toch weer niet zo bijzonder is. Waar ik ook even van zat te kijken tijdens die oratie was het gegeven dat 45% van de Nederlandse jongeren onderwijs combineren met een baan. Van de andere Europese landen bakt alleen Denemarken het zo bruin. Dat kan namelijk niet anders betekenen dan dat het onderwijs zo weinig voorstelt dat je er gemakkelijk een baantje naast kunt hebben, of dat de studiefinanciering zo slecht is geregeld dat – als je ouders niet over ongelimiteerde middelen beschikken – je er wel een baantje bij moet hebben. Vergelijk dat eens met Frankrijk waar slechts 8% studie met werk combineert. Tot zover wat bij mij is blijven hangen uit het betoog van mijn hooggeleerde vriend. En terug naar die negentig seconden waarin ik mijn levensverhaal moet vertellen. Want waarom zou ik dat eigenlijk willen? Dat is heel simpel dat is de geschatte tijd tussen het moment dat ik de kersverse professor de hand schud en hij mij vraagt ‘Goh Ton, wat een verrassing. Wat heb jij in de tussentijd gedaan?’, en het moment dat de wachtenden achter mij, gewapend met bos bloemen en fraai ingepakte fles wijn, hun geduld beginnen te verliezen en mij zacht doch dwingend verder duwen.
Michel en Arnaud
Gisteren was ik op een bijeenkomst met de toekomstige president van Frankrijk.
Er is een kans dat deze uitspraak bewaarheid wordt. In welk geval ik er heel veel spijt van zal hebben dat ik hem niet even de hand heb geschud. Ik was jarenlang nogal sceptisch over Arnaud Montebourg – want dat is de man waar het om gaat – en dat lag vooral aan zijn kwajongensachtige flair die ik niet helemaal vond passen bij een serieus politicus. Maar langzamerhand ben ik ervan overtuigd geraakt dat je best in de politiek kunt staan alsof je de hoofdpersoon van een spannend jongensboek bent én tegelijkertijd op een serieuze en gewetensvolle wijze politiek kunt bedrijven. En Montebourg lijkt die twee dingen met elkaar te verenigen. Hij is diegene die al zeker tien jaar lang consequent roet in het socialistische feestje gooit uit naam van hogere principes dan partijdiscipline of politieke opportuniteit. Zo was hij degene die al tijdens het presidentsschap van Chirac probeerde hem een proces aan te doen. En zo heeft hij onlangs geprobeerd de socialistische baron van Marseille wegens corruptie als lid van de Parti Socialiste te laten royeren. Misschien is dat de enige overeenkomst tussen Montebourg en Sarkozy: waar hij is, gebeurt altijd wel iets. Bij de gedoodverfde socialistische presidentskandidaat François Hollande is het eerder het tegendeel: voordat hij zijn mond opendoet ben je al in slaap gevallen. Veel Fransen schijnen daar op het ogenblik behoefte aan te hebben: Sarko heeft ze al te lang uit hun slaap gehouden.
Dat ik gisteren bij Montebourg was, kwam door het feit dat twee dorpen verderop de lokale restauranthouder een evenement had georganiseerd waarin de filosoof Michel Onfray een hofdrol speelde. Onfray is een rijzende ster aan het Franse filosofenfirmament. En hoewel ik nog nooit een boek van hem gelezen heb, acht ik hem hoog omdat hij voor twee dingen op de bres staat die mij zeer dierbaar zijn, te weten het atheïsme en het anarchisme of, zo men wil, het libertair socialisme. Gisterochtend zou Onfray een lezing houden over Albert Camus en ’s middags zou hij samen met voornoemde Montebourg op het podium zitten. Met Camus heb ik ook iets, dus dat was drie vliegen in één klap. Wat ik niet wist, is dat het evenement in een grote tent zou plaatsvinden en dat het die dag vervloekte koud zou zijn. De lezing begon om klokke tien – Fransen zijn heel stipt – en zou tot twaalf uur duren. Hoewel ik om elf uur al aan onderkoelingsverschijnselen begon te lijden, ben ik blijven zitten en nee, er was geen koffiepauze. Om twaalf uur sloeg de kerktoren, maar Onfray wist van geen ophouden. En ik geloof niet dat ik het ooit eerder in mijn leven voor elkaar heb gekregen om twee-en-een-half uur lang gebiologeerd aan iemands lippen te hangen. Hij stelde zich ten doel de legende Camus te demonteren, een legende die volgens hem vooral gecreëerd is door Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir en waarin Camus de kwaaie pier is en Sartre en De Beauvoir de echte helden. En passant werd het demonische tweetal effectief neergesabeld (Sartre? Die heeft nooit ergens iets van begrepen. Hij was altijd en overal te laat. De Beauvoir? Als ze drie dingen beweerde, wist je zeker dat er twee niet klopten), de Nietzscheaanse wortels van Camus’ denken blootgelegd en nog veel meer. Versteend en tevreden verliet ik de tent.
Een paar uur later keerde ik terug, maar nu met dikke sokken en bergschoenen, om Arnaud Montebourg te horen. Hij werd door Michel Onfray ingeleid, waarvan ik al wist dat, als die het voor het zeggen had, hij de volgende president van Frankrijk wordt. Als nu Onfray op die 45 miljoen kiesgerechtigden evenveel invloed heeft als op mij met z’n verhaal over Camus, dan is de wedstrijd al gelopen. Daar hoop ik dus maar op, zodat ik niet vanavond al de eerste regel van deze column hoef te veranderen.
PS: Montebourg heeft met ruim 17% van de stemmen een mooie derde plaats bereikt. Dus geen presidentskandidaat in 2012. Maar waarom niet in 2017 of 2022?