Het semitische geloof van Mélenchon

Met enige regelmaat steekt in Frankrijk het antisemitisme zijn kop op. Nog steeds. En dan bedoel ik niet het antisemitisme van djihadisten, salafisten of welke islamitische fanaten dan ook. Ik bedoel het antisemitisme van die Fransen die zich erop kunnen beroepen vele generaties geworteld te zijn in de Franse bodem. Vooral de woorden bodem en wortel worden in dit verband graag gebruikt. Voordat Dominique Strauss-Kahn zichzelf op niet te evenaren wijze uitschakelde als mogelijk presidentskandidaat, liep er tegen hem zo’n soort campagne. Die man was gewoon niet geworteld in de Franse bodem wisten respectabele rechtse politici te melden. En daarmee dus niet geschikt als president van het Franse volk. Op verwijten van antisemitisme werd gereageerd met de onwrikbare waarheid van dit betoog: die man woonde toch in Washington, wat wist hij nou van het leven in de Haute-Loire? Dat rechtse politici niet terugdeinzen voor dit soort ranzige mufstinkende argumentaties is dramatisch, maar dat zich bij dit gedrochtelijke koor zich nu ook de radicaal-linkse oppositieleider Jean-Luc Mélenchon heeft aangesloten – en dat zijn kompanen geen afstand van hem hebben genomen – is een regelrechte ramp. En het gaat natuurlijk niet meer over DSK, want die is alleen voor de roddelpers nog interessant, nee het gaat om iemand die ik persoonlijk een van de aardigste ministers van de huidige Franse regering vind: Pierre Moscovici. Moscovici is minister van Financiën en uit dien hoofde één van diegenen die verantwoordelijk zijn voor het Cyprus akkoord. Nou mag je hem om die reden een smeerlap noemen (en daarmee Jeroen Dijsselbloem de oppersmeerlap). Dat was namelijk de kwalificatie die Mélenchon van harte wilde onderschrijven. Ik vind dat je het publieke debat daar niet mee op hoog niveau brengt, maar als je radicale achterban dat graag wil horen, soit. Maar dan: “hij (Moscovici) heeft het gedrag van iemand die niet meer in het Frans denkt, maar die denkt in de taal van de internationale financiën.” Natuurlijk, joden hebben geen vaderland, die vormen een internationale samenzwering en door de macht over het geld zullen zij straks de hele wereld beheersen. Maar nee, dat bedoelde meneer Mélenchon helemaal niet, die zich vrijpleitte van iedere antisemitische smet, want “ik kende het geloof van Pierre Moscovici niet, en ik ben niet van plan daar in de toekomst rekening mee te houden, net zomin als ik dat in het verleden heb gedaan.” Aha, antisemitisme gaat dus over geloof. Denkt meneer Mélenchon, die met vrucht zijn universitaire studie heeft doorlopen, nu werkelijk dat er zoiets als een semitisch geloof is? Niet waarschijnlijk dus. En niet erg moedig om je op die manier te verdedigen. Geef ridderlijk toe dat je uitgegleden bent op de glibberige bodem van Frankrijks antisemitische verleden. Dat je in een reflex hebt teruggegrepen naar een abject cliché.
De reactie van de betrokkene was, maar dan op een heel andere manier, ook veelzeggend. “Ik ben erdoor geschokt omdat ik deel uitmaak van die mensen waarvan de ouders voor Frankrijk hebben gekozen (de familie Moscovici is in 1947 uit Roemenië gevlucht). Ik denk altijd Frans, ik denk altijd aan Frankrijk, niet uit nationalisme maar omdat het in al mijn vezels zit.” Om er keurig aan toe te voegen dat hij in de uitspraken van Mélenchon geen antisemitische connotaties zag.
Ik moest daarbij erg denken aan wat ik bij Amos Oz had gelezen: “… al die koortsachtige eurofielen, die een heel scala van Europese talen spraken, Europa’s dichters reciteerden, geloofden in zijn morele superioriteit, zijn ballet en opera bewonderden, zijn erfenis koesterden, droomden van zijn postnationale eenheid en zijn manieren, kleding en modes verheerlijkten, het al tientallen jaren onbeperkt en onvoorwaardelijk liefhadden, … alles hadden gedaan wat in hun menselijke vermogen lag om er een beetje bij in de smaak te vallen, hun bijdrage te leveren op elk gebied en op elke wijze, te integreren, zijn koele vijandigheid te doorbreken door het gepassioneerd het hof te maken, door zich bemind te maken, in de gunst te komen, geaccepteerd te worden, erbij te horen, geliefd te worden …”*
Natuurlijk hoeft Moskovici zich niet te verdedigen alsof toch door zijn afkomst de verdenking op hem rust dat hij wel eens geen loyaal vertegenwoordiger van zijn land zou kunnen zijn. Diegenen die zulke verdenkingen uitspreken moeten zich verantwoorden, niet degene tot wie ze gericht zijn.

* Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, De Bezige Bij, 2005, p. 142

Ontbijtkoek

Een week op een onbewoond eiland. Wat neem ik dan mee? Ik heb daar enige ervaring mee. Ik zit met enige regelmaat op mijn onbewoonde eiland, dat weliswaar niet echt een eiland is, maar wel behoorlijk onbewoond. Morgen ga ik er weer heen gewapend met troffels, voegspijkers en een cementbak. Voor een echt onbewoond eiland is dat natuurlijk niet interessant want daar kun je geen cement kopen. Daar heb je meer aan een bijl en een zaag, maar die heb ik daar al liggen. Wat neem je verder mee? Kleren – als het geen tropisch eiland is – boeken en muziek. De keuze van het boek/ de boeken is altijd delicaat. Normaal gesproken weet ik altijd precies wat ik nog allemaal moet lezen, maar op het kritische moment dat ik een of twee boeken moet uitkiezen weet ik opeens niet meer welke boeken dat ook alweer zijn en sta ik verdwaasd voor de boekenkast en zie alleen maar boeken die ik op dat moment echt niet hoef te lezen. Het lijkt me een geval van cognitieve dissonantie. Etenswaren zijn niet echt een probleem: ik haal gewoon de koelkast leeg en de rest koop ik er daar wel bij. Ik ben er dus helemaal klaar voor.
Heel anders is het als ik in Nederland ben en ik mij voorbereid op mijn terugkeer naar Frankrijk. Daarvoor heb ik een hele boodschappenlijst in mijn hoofd van artikelen die ik bij mij thuis niet kan krijgen. Zo hebben ze in Frankrijk bijvoorbeeld wel ontbijtkoek, maar die haalt het niet bij de Nederlandse. Vooral op de gembervariant ben ik dol en die is hier niet te krijgen. Sandwichspread, ook zoiets waarvan het water me in de mond loopt als ik het woord zie. Maar hier is in het allerbeste geval in het rayon met Engelse waren een klein potje van de zure variant (groene deksel) te vinden en dat is nog erger dan geen sandwichspread: dan krijg je eerst dat effect van het water in je mond en vervolgens blijkt het helemaal niet te smaken. Zoiets als een lekke voetbal die in een zandbak ploft. Heel  belangrijk is een bezoek aan de Indische toko, want ik moet vooral ook dingen als seroendeng, mango chutney en allerlei hete pickles scoren. Ik vrees dat weinigen mijn intense genotsgevoel kunnen begrijpen als ik – eenmaal thuisgekomen – al mijn exotische aanwinsten in de voorraadkast zet.
Veel selectiever moest ik zijn in de tijd dat ik in Afrika woonde. In de verhuiskist kon ik nog allerlei spullen laden waarvan ik dacht dat ik daar de komende jaren ernstige behoefte aan zou hebben en die daar vast niet te krijgen zouden zijn. Een paar dozen wijn was in de meeste gevallen wel een wijze keus. Maar wat verder? En bovendien raakte de voorraad onherroepelijk een keer uitgeput en wat dan? Zou het niet beter zijn me meteen maar aan de lokale markt aan te passen? In Tanzania in de jaren tachtig was dat een probleem. De lokale markt voor luxeartikelen bestond namelijk niet of nauwelijks. Behalve de zwarte markt, maar daar wilde ik niet aan mee doen. Er was wel lokale wijn maar daar kreeg je hoofdpijn van en de sterke drank was een soort gin die je alleen met een glas cola kon wegkrijgen. Tijdens mijn laatste verlof in Nederland – ik had nog een klein jaar te gaan – had ik bedacht om lekker veel jenever mee terug te nemen. Met een liter of vijf dacht ik er wel een tijdje tegen te kunnen. Ik vroeg dus vijf liter jonge Bols aan de slijter in het winkelcentrum van mijn Utrechtse wijk. Toen hij de flessen op de toonbank zette, haalde ik twee jerrycans van 2,5 liter te voorschijn en goot daar ter plekke de flessen in leeg. Ik heb zelden iemand zo dom zien kijken als die keer. Ik denk ook dat ik zelden zo’n diepe indruk bij iemand heb achter gelaten, want als ik nu na dertig jaar wel eens zijn winkel binnenstap, ontvangt hij me als een oude schoolvriend. Op die jerrycans plakte ik een paar stickers met ‘medical use only’ en zo kreeg ik ze zonder problemen door de douane.
Regelmatig vragen mensen me: moet ik nog wat voor jullie meenemen uit Nederland? En steevast volgt daar op: pindakaas, dropjes? Nee hoor, doe mij maar een paar ontbijtkoeken. Daarin kan een klein land groots zijn.

Stakeholders

Was dan de schok van de dood van de poes zo groot dat ik maandenlang geen letter meer op virtueel papier kon krijgen? Is er anderszins reden om zich zorgen te maken over mijn welzijn? Heeft het schrijven aan mijn boek mij zodanig in beslag genomen dat ik daardoor mijn weblog heb verwaarloosd? Of heb ik misschien een authentiek writer’s block? Voor dat laatste moet je minstens een schrijver zijn en zo zou ik mezelf niet durven noemen. Feit blijft dat ik de laatste maanden bijzonder weinig stukjes op mijn blog heb gezet. En dat dat niet ligt aan bovengenoemde redenen. Waaraan dan wel? Ik had het gewoon te druk met andere dingen. En vooral met één ding: het corrigeren van teksten van mijn zoon. Die produceert hij in het kader van zijn eerste baan na zijn afstuderen. Door zijn meertalige opvoeding – thuis Nederlands, op school Frans en aan de universiteit Engels – is het met zijn moedertaal nooit helemaal goed gekomen. En doordat hij nooit de idee heeft gehad dat zijn toekomst in Nederland zou liggen, heeft hij iedere hint dat het misschien wel handig zou zijn om zich in woord en geschrift perfect in het ABN te kunnen uitdrukken, met enig dédain naast zich neergelegd. En als gevolg daarvan zit ik nu met de gebakken peren. Ik verbeter d’s, t’s en dt’s, ik schuif met de’s en het’s, met die’s en dat’s, ik haal samentrekkingen uit elkaar, vervang voorzetsels door andere voorzetsels, om over verdergaande subtiliteiten van onze taal maar te zwijgen. Ik heb op slag een enorm respect gekregen voor al diegenen die erin geslaagd zijn het Nederlands als tweede taal onder de knie te krijgen. Dat vind ik een prestatie van Olympische proporties.
Maar er zit nog een andere kant aan mijn correctiewerkzaamheden: het onderwerp. Het gaat om een inventarisatie die door ‘de politiek’ is gevraagd over iets dat ik hier niet mag onthullen. Ik heb namelijk getekend voor strikte geheimhouding! Misschien voor u als lezer niet wereldschokkend, maar voor mij als journalist (ik weiger mezelf ex-journalist te noemen: eens journalist, altijd journalist) is het een regelrechte ramp. Ik zie allemaal prachtig materiaal onder mijn ogen langs glijden en ik mag er niets mee. Ik zie de fine fleur van onze natie dingen vertellen waarvan ik de koude rillingen krijg: als het al geen regelrechte leugens zijn, de waarheid is het in ieder geval niet. Het gaat namelijk om interviews met stakeholders. Ik weet het niet helemaal zeker, maar volgens mij heeft Eveline Herfkens dat woord in Nederland geïntroduceerd. Die had er een paar jaar bij de Wereldbank opzitten en daar had ze allemaal interessante woorden geleerd waarvoor overigens perfecte Nederlandse equivalenten bestaan, maar om de een of andere reden vond ze het nodig om haar Nederlands op te leuken met Engelse termen. Helaas is dat een veelvoorkomend verschijnsel geworden. Neem nu dit stukje: Dat is de rol voor professional services firms die non-financial audit doen. Dat moeten ze embedden in hun auditproces. Ze moeten niet alleen kijken naar social en environmental getallen. Of deze zin: Wij kijken naar de issues die wij effectief kunnen tackelen en adresseren binnen de scope van ons programma. Ik heb dit niet zelf bedacht. Dit heeft iemand – een stakeholder dus – zonder blikken of blozen uit de mond laten rollen. Het is bijna niet voor te stellen dat dit ergens over gaat, laat staan over een serieus onderwerp, maar ik zweer dat het zo is.
Lang geleden heb ik heel serieus gestudeerd op de relatie tussen taal en cognitie. Als ik mij goed herinner wat daarover door zeer geleerde mensen werd geschreven op grond van gedegen wetenschappelijk onderzoek, dan vrees ik dat het met de kennisverwerving van een deel van onze bestuurders en topadviseurs niet best gesteld is. En als deze stakeholders op enigerlei wijze representatief zijn voor onze heersende klasse, dan geef ik niet veel voor de perenniteit° (mag ik ook eens een mooi woord gebruiken? Ik woon tenslotte al bijna twintig jaar in Frankrijk) van de Nederlandse taal. Misschien dat dit isue ook eens effectief geadresseerd en getackeld kan worden? Of valt dat niet binnen de scope van ons programma?

° = duurzaamheid

Het gedroomde leven

Beste lezers van mijn blog,
Deze keer een heel bijzondere aflevering. Want als je op Een boze fee klikt, krijg je een hoofdstuk uit mijn nog niet voltooide tweede roman te zien. Dat boek gaat Het gedroomde leven heten. En het plaatje hierboven is het soort omslag dat ik voor het boek zou willen.
Dit hoofdstuk zit ongeveer halverwege het boek. Ik heb het uitgekozen om jullie te laten lezen omdat het een omslagpunt in het verhaal is. Ik moet daar bij zeggen dat het misschien een beetje lastig te lezen is. In tegenstelling tot de rest van het boek maak ik hier voortdurend gebruik van perspectiefwisselingen, wat enigszins verwarrend kan werken als je nog niet in het verhaal zit. Bovendien worden er veel gedachten in uitgeschreven en dan niet vanuit de verteller (Pauline schrikt, ze vindt hem bot), maar vanuit de twee hoofdpersonen (Wat is dat nou? Wat is dat voor bot antwoord). Misschien even wennen in het begin.
Ik heb de tekst in pdf-formaat opgeslagen zodat je het eventueel op je tablet kunt zetten. Er zitten een paar sterretjes in de tekst op momenten dat je iets meer moet weten van het voorafgaande. Als je erop klikt, geef ik daar uitleg over.
Ik ben aan de zoveelste revisie van het boek bezig. Daarom ben ik blij met alle commentaar. Als je er iets over zou willen zeggen: neem alsjeblieft geen blad voor je mond. Ik hoor het graag.
Misschien ten overvloede: Iedere overeenkomst met personen of situaties die de lezer bekend voorkomen, berust op louter toeval. Ik meen het.
Veel leesplezier!

Leuk verhaal

Ik wilde het oude jaar uitluiden met een mooi verhaal. Ik had een gehoor van elf personen en dat is voor de niet-geoefende verteller die ik ben toch al heel mooi. Ik had het ooit bij eenzelfde gelegenheid al eens geprobeerd met een Christmas carol van Dickens, maar die zijn toch nog knap lang en je moet al een verteller van formaat zijn om de aandacht van je publiek gedurende zo’n heel verhaal vast te houden. Dat ging ik deze keer anders doen. Ik had een kort en erg grappig verhaal uitgezocht. Ik wist niet dat die tweede omstandigheid een minstens even zo grote valkuil voor de beginnende verteller is. Probeer het zelf maar eens: een heel leuk verhaal aan een paar mensen voorlezen zonder een spier van je gezicht te vertrekken. Daar moet je of een volslagen autist of een begaafd verteller voor zijn. Ik vrees dat ik van beide iets te weinig heb.Voordat ik halverwege was, biggelde de tranen over mijn wangen. Dat bleek de voortgang van het verhaal behoorlijk te hinderen. Ik had geen stem meer – tussen het hikken door kon ik er soms een paar woorden uitpersen – en bovendien zag ik door die tranen niets meer, dus zodra ik mijn stem weer enigszins onder controle had, moest ik eerst omstandig mijn ogen droog vegen. Gaandeweg merkte ik dat mijn gehoor niet om het verhaal lachte, nee, zij lachten als ik probeerde een zoveelste lachbui te onderdrukken, dus nog voordat ik dat grappige stukje had kunnen voorlezen. Kortom, van intermediair tussen de schrijver en zijn gehoor, veranderde ikzelf in een komisch nummer. Dat was niet helemaal wat ik mij van mijn optreden had voorgesteld en deed mij erg denken aan die keer dat ik een iets groter gezelschap zou verrassen met het spelen van een kerstliedje op mijn trompet. Ik had het goed ingestudeerd, dus dat kon niet echt fout gaan. Ik had mijn trompet gestald in een onverwarmd knutselhok naast de zaal waar het gezelschap zat dat onverwachts de heldere tonen van mijn trompetspel zou horen schetteren. Alleen die trompet stond urenlang in dat hok koud te wezen, dus toen ik behoedzaam mijn trompet om de hoek van de deur stak om vervolgens de zoete tonen van een Nu syt wellecome of iets dergelijks ten gehore te brengen, kwam er niet veel meer uit dan een min of meer geslaagde imitatie van het piep-piep-knor dat gedurende een bepaalde periode in de jazz in zwang was. Wat mij doet denken aan die andere keer dat ik … nee laat ik ophouden. Ook voor 2013 neem ik mij voor om een publiek optreden tot een geslaagd eind te brengen. Eens moet het lukken.

La minette

Al verwachtten wij het ieder moment, het kwam toch nog onverwachts. Toen ik met de hond langs kwam wandelen, zat zij in de middagzon in het hoge gras aandachtig naar iets te kijken dat ik niet kon zien. Ze zag er voor haar leeftijd nog behoorlijk fief uit. Ik was nog geen dertig meter verder of ik hoorde een doffe klap, ik keek om en daar lag ze, midden op de weg. Ooit was ze eerder aangereden door een auto, maar dat had ze zorgvuldig voor ons verborgen gehouden. Wel was ze de laatste jaren steeds moeilijker gaan lopen. Ze kon nog steeds een sprintje maken, maar het gewone lopen zag er steeds sukkeliger uit. Daar kwam de artrose nog bij. Dus ja, ze begon toch echt serieus bejaard te worden en wij bereidden ons voor op het einde. Dat ik dus opeens totaal onverwacht denk te zien. Maar nee, ze probeert op te krabbelen. Dat lukt niet. Haar achterlijf is geïmmobiliseerd. Ik til haar op en op dat moment komt een hysterische vrouw op me af rennen. ‘Wat is het? Een poes? Een poes? Een poes?’ Ik loop met onze roodharige moederpoes in de armen naar huis en zeg: ‘Dat ziet u toch?’ Zij: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Zou dat een syndroom zijn, dat je alles drie keer zegt als je in de war bent? Ik: ‘Weggaan.’ Zij opnieuw: ‘Wat kan ik doen? Wat kan ik doen? Wat kan ik doen?’ Ik: ‘Opdonderen alstublieft.’ Zij: ‘De verzekering. De verzekering.’ Ik: ‘Wilt u nu alstublieft opflikkeren.’ Ik verdwijn met poes in het struweel van het tuinpad en gelukkig achtervolgt ze me niet.
Even later zitten Jacqueline en ik in de auto op weg naar de dierenkliniek. De poes heeft mijn armen niet verlaten. Ze ademt heel snel, kwijlt en heeft een plasje op mijn broek gedaan. Ik vraag me af of ze de tien minuten naar de kliniek haalt. Door het geluid van de auto kan ik haar ademhaling niet meer goed horen, maar zo af en toe beweegt ze. Als ze op de behandeltafel ligt, constateert de dierenarts dat ze ongetwijfeld haar bekken heeft gebroken en waarschijnlijk een dijbeen. Maar om alles precies te weten moet er eerst een röntgenfoto gemaakt worden. Maar allereerst krijgt ze pijnstillers want ze moet erg veel pijn lijden. Kunnen we over een uur even bellen? Ik krijg dan te horen dat haar eerste diagnose klopte en dat wat haar betreft een en ander gerepareerd kan worden. Er is alleen nog een ander probleem: ze heeft een scheurtje in haar blaas en als dat zich niet gauw herstelt, dan heeft geen enkele chirurgische ingreep nog zin. Belt u nog even aan het begin van de avond hoe het gaat?
Intussen krijgen wij thuis een soort modeldiscussie over de voors en tegens van levensbeëindiging. Waarbij ik het nogal radicale argument in de strijd werp dat je je oude moeder van 83 toch ook geen spuitje laat geven omdat ze haar heup gebroken heeft. Ik weet dat ik me op het hellend vlak van de demagogie aan het begeven ben. Tenslotte, een poes van ruim zeventien jaren waarvan wij ons al afvroegen of zij het volgend voorjaar zou gaan halen te vergelijken met een bejaarde moeder… Twijfelachtig. Bovendien, een herstelperiode van minstens twee maanden waarin ze opgesloten zou moeten blijven in een kooi, als je dat zo’n oud beestje wilt aandoen, ben je dan niet bezig met wat ze hier noemen acharnement thérapeutique (therapeutische obstinaatheid)? Ik word overvallen door archaïsche religiositeit: God zal me straffen als ik dit leven tot een einde laat brengen. Ik overweeg Marianne Thieme te bellen om een onbevooroordeelde en ethisch juiste beslissing te nemen, maar uiteindelijk laat ik mij overreden. Ik stipuleer nog wel uitdrukkelijk dat het financiële aspect van de kwestie geen rol mag spelen in onze besluitvorming en ga dan om. We mogen het beestje niet coûte-que-coûte in leven houden omdat we te weekhartig zijn om er eind aan te laten maken. Ze zal maandenlang moeten lijden en dan nog, hoe lang zal ze daarna nog kunnen leven?
Helaas krijg ik die avond niet de dierenarts aan de lijn maar een assistente die vertelt dat alles goed lijk te gaan met la minette. Zodoende kan ik mijn kloeke besluit niet meedelen. Ik vertel haar dat ik de volgende ochtend vroeg langs kom.
Blijkbaar heb ik Jacqueline niet goed op de hoogte gebracht van mijn ommezwaai, want als ik de volgende ochtend na het bezoek aan de dierenkliniek thuiskom met het ontzielde lijfje van onze poes in de armen, reageert zij ontsteld. ‘Maar dat wilde jij toch?’, zeg ik door mijn tranen heen. ‘Ja, maar ik wist niet dat jij ook zo ver was.’
Ze heeft nog twee uur lang op haar favoriete plek op de tuintafel in de ochtendzon kunnen liggen alvorens we haar ten grave hebben gedragen naast de laatste rustplaats van onze tien jaar eerder overleden witte Labrador. Ik kan iedereen afraden een huisdier te nemen. En als het dan toch moet: neem een papegaai. Dikke kans dat ‘ie je overleeft. Ik moet er echt niet aan denken dat de ons nog resterende viervoeters aan hun eind komen.

Dorpsfeest

Ik heb altijd gedacht dat het woord braderie uit het Frans afkomstig is. Het klinkt zwierig. Dat komt natuurlijk door die ie op het eind. Met een ij wordt het meteen een stuk zwaarder: braderij, opeens is het log geworden, het staat zwaar op zijn poten, het zweeft niet meer zo’n beetje in de lucht. Toch komt het daar wel vandaan, van die braderij. Ik kom daar op omdat er in mijn dorp vorige week een braderie was. Alleen, zo wordt het niet genoemd en bovendien is het ook eigenlijk geen braderie meer. Een jaar of tien geleden wel. Ik zat toen in het bestuur van de VVV van een zestal gemeentes. Dat klinkt indrukwekkender dan het in feite is, want die zes gemeentes tellen in het totaal nog geen 3400 inwoners. En denk niet dat dat uitzonderlijk is, want Frankrijk telt ruim 36 duizend gemeentes: zoiets als een gemeentelijke herindeling is aan dit land voorbij gegaan. De verleiding is groot om nog even op deze nationale aberratie door te gaan, maar laat ik me bij de braderie houden. Onder invloed van onze dynamische voorzitter besloten wij van de VVV tot het houden van braderieën in elk van de samenstellende gemeentes. Daar zouden op een zomeravond de winkeliers van het organiserende dorp een kraampje neerzetten, lokale handwerkslieden zouden een plek krijgen, er zou gelegenheid zijn om de ter plekke aangeschafte eet- en drinkwaren te nuttigen onder het genot van de klanken van de muziek van enkele dorpsmuzikanten. Het klonk de sceptici onder ons wat idyllisch in de oren, maar och we waren niet te beroerd om het idee een kans te geven. Inmiddels barst het evenement geheel uit zijn voegen. Het veldje rond de dorpsfeestzaal stond vol rijdende kramen, en vooral vol met brocanteurs. Let wel, lokale winkeliers en handwerkslieden waren niet meer aanwezig om de simpele reden dat de laatsten de afgelopen jaren hun bedrijf gesloten hebben. En dorpsmuzikanten hadden we sowieso al niet meer. Om kort te gaan, van een bescheiden dorpsfeestje waar zo af en toe een verdwaalde toerist waargenomen werd, is onze braderie – en die in de vijf andere dorpen – uitgegroeid tot een volwaardige commerciële gebeurtenis waar de dorpelingen zwaar in de minderheid zijn. Na een paar jaar afwezigheid ging ik er deze keer toch maar weer eens naar toe omdat ik niet de reputatie wil krijgen van de azijnpisser van dienst. Het eerste wat ik zag toen ik de feestzaal naderde, was Bertrand de gepensioneerde huisschilder die met onvaste tred de tegenoverliggende auberge verliet. Ik druk me voorzichtig uit, want ik hield mijn adem in uit angst dat hij plat op zijn gezicht zou vallen. Maar gelukkig werd hij begeleid door een drinkebroer die nog iets meer evenwichtsgevoel had. Nadat ik in sneltreinvaart een ronde langs de stalletjes en tapijten met versleten gebruiksvoorwerpen had gemaakt, kwam ik Chantal, de vrouw van Bertrand tegen. Ik vertelde haar dat haar man een probleem leek te hebben. Haar gezicht verstrakte. ‘Gedronken?’, vroeg ze. Ik zei haar dat me dat niet onmogelijk leek. En weg spoedde ze zich.
De volgende ochtend kwam ik Chantal op straat tegen. Het was allemaal erg meegevallen met Bertrand, vertelde ze me. ‘Je hebt hem waarschijnlijk al een tijd niet gezien (Ik had hem een week daarvoor nog gesproken). Hij is erg veranderd. Hij was gewoon erg moe gisteravond, want hij was ’s ochtends heel vroeg opgestaan. Hij lag te slapen in zijn busje toen ik hem vond.’ Een uur later kwam ik Bertrand tegen op een karwei waarmee hij zijn magere pensioentje een beetje opkrikt. Ik zei hem dat het me speet dat ik Chantal ongerust had gemaakt met mijn verkeerde inschatting. ‘Ik begrijp dat je helemaal niet dronken was, maar gewoon erg moe.’ Bertrand keek me een beetje vreemd aan. ‘Ik niet dronken? Man, ik was compleet lazarus.’
De kans is niet groot dat ik volgend jaar opnieuw onze braderie bezoek, maar als ik het toch doe en ik zie Bertrand weer zwalkend de auberge verlaten, dan zeg ik tegen Chantal dat Bertrand me erg moe lijkt.

Rood haar en een bontkraag

Ik lees op dit moment Het land van herkomst van E. du Perron. Het begin van dat boek is voor de niet-ingewijde nogal verwarrend, dus ik dacht dat misschien eindelijk het boekje Drie vrienden van W.L.M.E. van Leeuwen over Marsman, Ter Braak en Du Perron dat ik ooit in de jaren zestig kocht, me toch nog mooi van pas kon komen. Met een trefzekere greep haalde ik het uit de boekenkast. Bladerend in het boekje merkte ik dat er een foto in zat: een foto van een jonge vrouw in een winterlandschap, een al aardig verbleekte kleurenafdruk van 8½ x 8½ cm. Ik denk niet dat ik haar gekend heb. Ik herinner me haar tenminste niet. En dat maakt het vreemd, want ik dacht dat ik het boekje nieuw gekocht had. Maar hoe is dan die foto erin gekomen? Ik heb me suf zitten peinzen, maar ik kan er geen plausibele verklaring voor vinden. Te meer omdat het niet het soort boek is dat je uitleent, tenzij aan een student Nederlands en ik woonde in die tijd wel samen met een studente Nederlands, maar ik herken in het meisje niet een van haar toenmalige medestudenten. Als ik het boekje tweedehands gekocht zou hebben – en ik kocht in die tijd wel eens wat in een van de boekenstalletjes in de Oudemanhuispoort – zou daarmee het spoor doodlopen. Maar bij nadere beschouwing is dat niet zo, want ik moet ook destijds in dat boekje gebladerd hebben omdat ik me aantal van de illustraties eruit kan herinneren. Dus zou ik toen al die foto moeten zijn tegengekomen. En daar herinner ik mij niets van en bovendien zou ik hem er dan uitgehaald hebben. Met andere woorden die foto moet in het boekje zijn gekomen toen het al een tijdje in mijn bezit was. En toch weet ik niet wie het meisje is. Normaal gesproken niet iets om je druk over te maken, maar mij laat het al twee dagen niet los. En dat komt omdat het zo’n vreemde foto is. Niet op het eerste gezicht: meisje links op de voorgrond, alleen hoofd en een deel van het bovenlichaam, daarachter een laan – vermoedelijk een zandpad – omzoomd met beuken en een enkele spar, dit alles bedekt met sneeuw. Verderop in de laan een rijtuigje met een volwassene en een kind op de bok, dat drie sleeën met kinderen trekt. Het trekdier is niet zichtbaar, maar het moet een klein paardje of een pony zijn. Het meisje heeft een bruine wollen jas aan met een beige motiefje en een bontkraag. Ze heeft dik rood haar dat tot op haar schouders valt en ze heeft aan de linkerkant een scheiding in het haar. Ook haar wenkbrauwen zijn rood. Ze heeft donkerbruine ogen en volle lippen. Ik denk dat je kunt zeggen dat ze een mooi gezicht heeft. Als ze glimlachend in de camera had gekeken zou het een leuke foto zijn geweest en zou ik er denk ik niet meer naar om hebben gekeken. Maar in dit idyllische wintertafereeltje kijkt ze weg met een bedrukte blik. Ze is zeker niet blij, ik denk zelfs dat ze tamelijk ongelukkig is. Terwijl, zo stel ik me voor, haar vriend die foto neemt. Wie zou anders die foto genomen kunnen hebben? Haar vader of moeder? Niet waarschijnlijk. Ze heeft al niet meer de leeftijd dat je op zondagmiddag met je ouders gaat wandelen. Een vriendin? Zou natuurlijk kunnen. Maar nou was het in die tijd wel zo dat het meestal de mannen waren die fotografeerden en maar zelden de vrouwen. Dus ik hou het op haar vriendje. En ik denk dat de relatie niet erg lang meer geduurd heeft. Er zit zo’n leed in die blik, waar blijkbaar dat vriendje weinig aan kon verhelpen. Wat die foto nog triester maakt, is dat het winterplezier wegrijdt. Het gaat langzaam maar zeker richting horizon om voorgoed te verdwijnen en zij blijft daar met dat grote verdriet achter. Het noodlotsgevoel wordt nog versterkt door de plek in het boekje waar ik de foto heb aangetroffen: tussen twee pagina’s die gaan over Marsmans gevecht met de dood (en in uw roekelozen lach/ klinkt uit een verte snel gesmoord,/ een echo door van een accoord,/ dat ge eeuwig u verborgen dacht,/ het lachen van den dood.)
Ondanks het feit dat ik zo ongeveer het verhaal achter de foto bij elkaar kan verzinnen, blijf ik met een onbevredigend gevoel zitten. Ik voel mij een beetje zoals in het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens: Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart/ Gezeten in een sneltrein, die de trein/ Waar ik mee reed passeerde in volle vaart./ De kennismaking kon niet korter zijn.
En toch, zij duurde lang genoeg om mij/ Het eindeloos levenspad met fletse lach/ Te doen vervolgen. … Zo ernstig als de dichter ben ik er niet aan toe. Ik heb niet de indruk dat ik in dit meisje de vrouw van mijn leven ben misgelopen, maar ik zou zo’n vijftig jaar nadat de foto gemaakt is toch wel heel graag weten wat er op dat moment in haar om ging

That old feeling

Ik heb onlangs een nieuw scanapparaat gekocht. Zo’n ding waarmee je documenten en negatieven kunt digitaliseren. Niets bijzonders, alleen ontdekte ik dat ik met dit apparaat met enige behendigheid ook negatieven met afwijkende afmetingen kon inscannen. En dat kwam goed uit want ik had nog ergens tussen de duizenden kleinbeeldnegatieven een mapje met negatieven van een ander formaat. Die waren afkomstig van mijn Kodak Starlet, mijn eerste en bovendien van mijn eigen geld gekochte fototoestel. Tot dan was het enige in huis aanwezige fototoestel de box van mijn vader, zo’n apparaat dat je voor je buik hield om dan op een piepklein glazen scherm een beeld te zien verschijnen dat geacht werd op de foto te komen als je afdrukte. Ik zeg dat niet voor niets met enige voorzichtigheid want vaak viel het resultaat nogal tegen. Vooral bij ongunstige lichtomstandigheden. Er viel namelijk niets in te stellen: het apparaat had één sluitertijd en één diafragma. Mijn Kodak Starlet was in zoverre een vooruitgang dat ik kon kiezen tussen drie diafragma’s: een zonnetje, een zonnetje met wolk en alleen wolk. Bovendien zat er een zoeker op die je voor je oog kon houden, zodat je een iets helderder idee van het te fotograferen object kreeg. Te oordelen aan de negatieven die ik nu ingescand heb was dat nog geen garantie voor betere resultaten. Toch moest je buitengewoon selectief zijn en wel tien keer nadenken voor dat je een opname maakte, want er zaten als ik mij goed herinner maar twaalf opnamen op een filmpje en normaal gesproken moest je daar toch wel de hele vakantie mee kunnen vastleggen. Waarom ik dit allemaal vertel, is omdat er plotseling een foto op mijn beeldscherm verscheen (wel een stuk prozaïscher dan toen hij nog geleidelijk uit het ontwikkelbad tevoorschijn kwam) die ik mij niet meer herinnerde. Dat gold voor de meeste van die foto’s trouwens. Maar bij deze kwam er iets bij: het was een foto van mijzelf, maar ik had moeite er mijzelf in te herkennen. Meestal lukt me dat wel bij oude foto’s, maar deze keer niet. Ik kon wel zien dat ik het was, maar daar hield de herkenning op. Er lag iets in de blik van die jongen dat ik niet thuis kon brengen. Ik zit er in de kajuitopening van een ouderwets zeiljacht. Alles hout, katoen en touw. Ik ruik weer de geur van getaand touw als ik het plaatje zie. De achtergrond is een brede vaart, vermoedelijk ergens in Friesland. We varen met ruime wind en de enige golven zijn die, die worden voortgebracht door de boot zelf. Ik zit geheel in het zwart gekleed met een al even zwarte schipperspet recht in de cameralens te kijken. Een glimlach onthult een gebit dat sterk doet denken aan dat van Vestdijks personage Philip Corvage in Ivoren wachters: rampzalig dus, maar ik kan me niet herinneren dat ik me er ooit maar een moment voor geschaamd heb. Veel herken ik uit het plaatje, maar niet die blik. Als je mij gevraagd zou hebben hoe ik me op dat moment voelde, dan zou ik zeggen: de koning te rijk. Ik was in mijn element. Op dat prachtige zeiljacht met een bloedgang door het Friese landschap stuivend, dat was toch ongeveer waartoe ik bestemd dacht te zijn. Maar die blik zegt iets anders. Die houdt iets achter. Die vertelt me dat de jongen in kwestie grote verwachtingen van het leven heeft, maar daar nog geen concreet beeld van heeft. Dat dit nog maar het voorprogramma is en dat de hoofdfilm nog heel wat anders wordt. Maar hoe anders, wat anders? Daar heeft hij nog weinig weet van. En intussen doet hij een stapje opzij. Bekijkt de wereld van een afstand: reculer pour mieux sauter.
Een paar jaar geleden had ik een kortstondige elektronische briefwisseling met een jeugdvriend. We hadden elkaar tijdens onze hele schoolperiode gekend en ontmoetten elkaar zelfs nog een paar keer tijdens de studiejaren. Hij schreef me hoe leuk hij de middelbare schoolperiode had gevonden en wat voor geweldige herinneringen hij aan die tijd had. Ik vroeg mij af of wij niet in twee verschillende werelden hadden geleefd want bij mij overheersten de pijnlijke herinneringen. Een van die pijnlijke dingen was dat wij een tijdlang goede vrienden waren en daarna totaal uit elkaar groeiden. Hij concludeerde dat ik wel een verzuurde oude zak geworden moest zijn als dat soort dingen me nog steeds dwarszaten. Ik weet niet of ik daar nog op gereageerd heb of gedacht heb: hij begrijpt het niet en hij zal het nooit begrijpen dus laat maar. Want nee, ik koester niet Das Leiden des jungen Tons, maar ik ben wel nieuwsgierig naar de jongen die ik eens was. Op mijn vijftiende was ik diep geroerd door een liedje gezongen door Chet Baker, That Old Feeling. “There’ll be no new romance for me, it’s foolish to start, ‘cause that old feeling is still in my heart.” Wat moet een vijftienjarige nou met zulk soort teksten? En toch, de muziek, de tekst, voor mij had het alles te maken met een levensgevoel, een toekomstverwachting. Er kwam iets groots aan, dat kon ik aan alle kanten voelen. Het kwam er op aan om op tijd het vertrouwde bekrompen wereldje te verlaten en dan zouden de goede tijden aanbreken. Dan zou het leven ten volle geleefd gaan worden. En zo is het gegaan. En dat was allemaal al in die blik van die jongen op die zeilboot te lezen. Of bezondig ik me aan wat ze hineinintrepretieren  noemen? Ongetwijfeld, maar toch geloof ik dat het waar is.

Zal ik Sarko missen?

Vier maanden geleden schreef ik dat de komende tijd voor mij puur geluk zou zijn. Meestal ben ik niet sterk in voorspellingen, maar deze is uitgekomen. Ik verwachtte maandenlang te kunnen genieten van de parodie die vertrekkend president Sarkozy van zichzelf maakt, zonder bang te hoeven zijn dat hij onverhoopt toch nog opnieuw gekozen zou worden. Dat ging een tijdlang goed, maar op het laatst bleek hij toch nog tot een flitsende inhaalmanoeuvre in staat. Je ziet dat in hardloopwedstrijden wel eens: zo’n atleet die tegen het eind van de wedstrijd vanuit de middenmoot naar voren komt schieten en dan met schijnbaar groot gemak iedereen achter zich laat. Daar begon het akelig op te lijken en dat maakte de show iets minder leuk, maar tegelijk wel heel spannend. Toen een paar dagen voor de laatste ronde tijdens het ultieme en enige debat de uitdager op punten van de zittende president won, kon ik eindelijk weer gerust ademhalen. Hoewel, je kunt mooi zo’n debat winnen, maar het zijn de kiezers die beslissen. En het volk is … tja, hoe zal ik het zeggen, laten we het voor nu even op onvoorspelbaar houden. Of misschien juist wel voorspelbaar in … uhh laten we zeggen in het laten meewegen van minder rationele overwegingen. Pfff, even het zweet van mijn voorhoofd vegen. Het is gelukt, ik heb niet gezegd dat het volk stom is en belazerd wil worden. Want dat is natuurlijk ook niet zo. Het bewijs is zojuist weer geleverd: het Franse volk heeft een ‘normale’ president gekozen en niet een die voortdurend op onderbuiksentimenten speelt. Maar het was wel op het nippertje! Het is ook heel goed te begrijpen dat Sarkozy de dag zelf dat hij de nucleaire codes aan zijn opvolger had overgedragen, zijn rondjes joggen in het Bois de Boulogne weer opvatte: hij moet zijn conditie opvijzelen om over vijf jaar Hollande te verslaan. Want dat steekt daar natuurlijk achter. Onder de gegeven omstandigheden zou een normale ex-president zijn vrouw zijn gaan troosten die haar paleis heeft moeten verlaten. Maar niet Sarko. Die roept bij de voordeur: ‘Hé Carla, ik ga even trainen in het park. Ik moet die Hollande er de volgende keer uit kunnen lopen.’
Ik vraag me af of ik hem zal gaan missen, Sarkozy. Hij bracht wel kleur in mijn leven, ook al was dat meestal het rood dat mijn wangen van woede kleurde. Tegen het einde van de verkiezingscampagne kreeg ik zowaar zoiets als bewondering voor de man. Terwijl geen enkele opiniepeiler hem een schijn van kans gaf, bleef hij met veel overtuigingskracht volhouden dat het Franse volk nog voor een verrassing zou zorgen. En verdomd, hij kreeg nog bijna gelijk ook. Terwijl hij minstens drie affaires aan zijn broek heeft hangen die hem een veroordeling kunnen bezorgen, doet hij zich voor als de integerste der integeren. Je moet het lef maar hebben. Chirac en Mitterand zijn nooit zo populair geweest als toen ze president af waren. Zelfs Giscard wiens presidentschap verre van een succes was, draagt een aureool van eerbiedwaardigheid. Dus logischerwijs zou hetzelfde met Sarkozy moeten gebeuren. Maar ik betwijfel het. Chirac mocht dan wel graag op een koeienkont slaan om te laten zien dat hij ook maar een gewone jongen was, maar intussen was hij ook een groot kenner van Chinese en Japanse kunst. Mitterand liet bijzondere en spraakmakende gebouwen neerzetten en was een groot kenner van de Franse literatuur. Sarkozy daarentegen heeft vooral naam gemaakt met zijn ongrammaticale Frans en uitspraken als Casse-toi pauv’ con oftewel ‘Flikker op, klootzak’. Ik denk dat je daar, zelfs achteraf, niet populair van wordt. Dus of ik hem zal missen, nee, ik denk van niet. En als er vagelijk zo’n soort gevoel is, grijp ik gauw naar een film van de Marx Brothers en zal dan constateren dat Groucho toch stukken beter is dan Sarko zijn imitator.