Het duurt nooit lang. Je spreekt iemand en binnen een minuut gaat het over het Coronavirus. Tenzij je een afspraak bij je garage wilt maken of iets dergelijks. In het begin van de pandemie wilden we nog graag weten hoe serieus de ander de bedreiging nam, maar drie-en-een-halve maand later zijn we allemaal min of meer volleerde epidemiologen geworden en kunnen we haarfijn de vinger leggen op de inconsistenties in de al of niet dwingende regels van de overheid. We zijn gewapend met een intellectueel instrumentarium dat ons inzicht geeft in de Covid-19. We begrijpen zo’n beetje waar het allemaal om draait bij deze infectieziekte en dat geeft een gevoel van veiligheid. We zijn als het ware in een paar maanden tijd van de duisternis van de Middeleeuwen in de Verlichting terecht gekomen. Maar veel meer dan een gevoel is het niet. Een prettig gevoel, dat wel, en ik wil ook best aannemen dat een goed humeur en een positieve kijk op het leven in sommige gevallen kunnen helpen bij het lichamelijk gezond blijven of worden, maar ik weet niet of dat ook geldt in het specifieke geval van de Covid-19. Als profylaxe lijkt het me in ieder geval even ongeschikt als een rot humeur en pessimisme, of als hydroxychloroquine. Sterker nog, ik vermoed dat begrip en het daaruit voortkomende gevoel van veiligheid eerder onze weerstand verslappen dan versterken. We denken over het algemeen dat het begrijpen van een probleem al zo’n beetje het oplossen ervan is. Was het maar waar! Als dat zo zou zijn, weet ik minstens één beroepsgroep die dan aanzienlijk kleiner zou zijn dan nu het geval is: psychotherapeuten. Hun werk begint pas als het probleem onderkend en begrepen is. Doorgaans duurt het oplossen dan nog wel even. Maar met het Coronavirus is het allemaal nog een paar graden erger. Virologen kunnen perfect de werking van het virus begrijpen zonder daar meteen een remedie voor de infectie uit te kunnen distilleren. Het virus is door al het begrip dat we hebben opgedaan geen steek minder gevaarlijk geworden. Het lijkt er zelfs op dat het virus een stuk slimmer is dan ons, zijn slachtoffers. Door voortdurend te muteren is zijn gedrag minder voorspelbaar dan wij zouden wensen. In dat opzicht lijkt hij wel op een hyperintelligente serial killer, een Netflix serie van zes seizoenen waardig.
Categorie archief: Ton’s blog
Lèzzalluh sè oe?
Er was iets aan Frankrijk dat mij onweerstaanbaar aantrok. Ik moest daar wel gaan wonen. Op het moment dat de uiteindelijke beslissing werd genomen, liep dat al heel lang. Moeilijk te zeggen wat het nu precies was. Vanaf mijn twaalfde verslond ik de avonturen van commissaris Maigret. Met een bij het Frans Verkeersbureau verkregen plattegrond van Parijs erbij creëerde ik daar een hele wereld omheen. De boekjes van Jan Brusse gaven me de aanvullende informatie om een omvattender beeld van de stad te krijgen. Het resultaat was dat, toen ik in Amsterdam ging wonen, ik dat maar een dorp vond in vergelijking met ‘mijn’ Parijs. Het gevolg was ook dat, toen ik op mijn twintigste voor het eerst in de gematerialiseerde versie van mijn gedroomde stad kwam, ik vooral bezig was het Parijs te herkennen dat ik uit de boekjes en later de films kende. Het allerbelangrijkste was het gevoel van ontheemding dat ik voelde. Alles was zo fantastisch on-Nederlands. Die allereerste verrassing alleen maar Frans om je heen te horen (zelfs de kinderen!), koffie te drinken uit die grote groene koppen met een gouden randje, je 15% bedieningsgeld te moeten uitrekenen (wat jammer toch dat dat er bij ons gewoon in zit), het onbegrijpelijke tariefsysteem voor de stadsbussen (faire signe au machiniste), de wc turque waarboven het licht pas gaat branden als je het schuifje van de deur dicht gedaan hebt, ieder ongemak had zijn charme. Zelfs de teleurstelling dat een andouillette stinkend vleesafval met een velletje eromheen bleek te zijn en een boudin noir doodgewone bloedworst, werd later omgezet in een leuk verhaal. Iets minder leuk was het dat ik die Fransen lang niet altijd verstond en zij mij soms ook niet. Bijvoorbeeld als ik de weg naar Les Halles vroeg. Dat sprak je toch zeker uit als lèzzalluh? Nee dus. In de jaren daarna bleef ik regelmatig in Frankrijk komen, ontdekte ook het Franse platteland, maar ontdekte ook dat er buiten Frankrijk ook een heleboel te ontdekken viel. Ik heb zelfs overwogen om een tijdje in Griekenland of Portugal te gaan wonen, maar dat strandde vooral op de vraag: zou ik me hier ooit thuis kunnen gaan voelen. Vijf jaar in Afrika leverde ook geen langduriger relatie op. Maar Frankrijk bleef aanwezig. In Dar es Salaam ging ik naar de Alliance Française om boeken en platen te lenen en naar de film te gaan. In Ouagadougou ging ik naar het Centre culturel français om wat Franse cultuur op te snuiven en weer eens echt Frans te horen.
Toen we jaren later in Frankrijk gingen wonen, merkte ik dat ik een beeld van het land met me meedroeg dat nauwelijks meer correspondeerde met het land waarvan ik nu inwoner was geworden. Brassens, Brel, Barbara, Gréco, Ferré, Prévert, Sartre, De Beauvoir, voorzover ze nog leefden behoorden ze tot een voorbije periode. Mei 68? Vergeet het maar, met die erfenis heeft de Franse politiek afgerekend. Dat kreeg ik te horen. We kwamen het land in toen François Mitterrand nog president was, maar intussen behoorde hij al tot de verleden tijd. Van de hypergecultiveerde Mitterrand stapten we over naar de op koeienkonten slaande Chirac. Maar ik stapte vooral over naar een nieuwe generatie van schrijvers en musici van wie wij in Nederland nog nooit gehoord hadden. Francis Cabrel, Alain Bashung, Niagara, Indochine, wist ik veel? Dat was opeens heel iets anders, verrassend en soms regelrecht ongelooflijk goed. Dat er in het post-Simenon tijdperk in Frankrijk nog goede misdaadromans geschreven werden was volledig aan me voorbij gegaan. Jean-Claude Izzo, J.-P. Manchette, Didier Daeninkcx, nooit van gehoord, maar ik las ze met rode oren. In veel opzichten bleek ik in een ander land terecht te zijn gekomen dan ik dacht. Dat had een teleurstelling kunnen zijn, maar was het niet. Er bleek nog zoveel meer te ontdekken dan ik dacht. En nog steeds. Wie had de ‘giletjaunisation’ (de vergelehesjesiging, echt waar, het woord bestaat intussen) nu verwacht? Achteraf is het niet echt moeilijk om er een verklaring voor te vinden. De scheiding tussen het verpauperende platteland en de grote steden was ons ook wel opgevallen. De ‘méfiance’ (wantrouwen) van de Fransen tegenover alles dat boven hen staat – vooral waar het gekozen leiders betreft – maar ook dat van buiten komt, is spreekwoordelijk. Maar dat het zo’n omvang zou krijgen en zo lang zou duren, dat had niemand verwacht. En verrassingen zullen er blijven komen, ook al zijn ze niet altijd aangenaam. Hier in Nederland daarentegen …
Ben ik wel een goede lezer?
Er zijn van die adviezen aan beginnende auteurs die je – althans mij – bijna de lust ontnemen om nog een letter op papier te zetten. De eerste is ‘Kill your darlings’. Hij schijnt van William Faulkner te zijn. Ik heb altijd begrepen dat daarmee bedoeld wordt dat je alles uit je manuscript moet schrappen wat je verhaallijn vertroebelt, terwijl je het zelf nou juist zo’n leuke vondst vindt. Ik denk dan altijd: als je met die instelling en een rode pen Homerus of Dostojevsky te lijf gaat, dan zal het ongetwijfeld een stuk bondiger worden, maar is het dan nog net zo leuk om te lezen?
Een andere is meer een waarschuwing voor de aanstormende auteur: ‘Easy reading is damned hard writing’. Sebes en Bisseling noemen het in Alweer een bestseller (Querido, 2016) “ … de quote die aan vele schrijvers wordt toegeschreven, maar het vaakst aan Ernest Hemingway.” Nu wordt dit citaat zo ongeveer aan de helft van de Angelsaksische auteurs toegeschreven – Byron, Sheridan, Thackeray, Hawthorne – maar het is zeker niet van Hemingway afkomstig. Maar goed, als zoveel literaire meesters iets over hun vak vinden, zal het wel waar zijn, toch? Om het je lezers gemakkelijk te maken, moet je vreselijk je best doen. Als een musicus heel goed speelt, lijkt het toch ook kinderspel? Dat komt voor, ja. Maar andersom? Iets lijkt met het grootste gemak gespeeld te worden of geschreven te zijn, ligt daar dan een gigantische artistieke inspanning aan ten grondslag? Niet altijd. Neem nou de meest gevierde Nederlandse violist, André Rieu. Easy listening? Zeker. Gegarandeerd zonder enige muzikale verrassing. Alles vijftig keer doorgekauwd en tot pap vermalen, glijdt moeiteloos naar binnen. En zijn page turners – easy reading bij uitstek – boeken waar de auteur vreselijk op gezwoegd heeft, ieder woord heeft afgewogen met als resultaat een boek dat voor eeuwig in je geheugen gegrift is? Ik dacht van niet. Erger, een aantal van de grootste meesterwerken van de moderne literatuur zijn in hoge mate ontoegankelijk. Daar kan ik van meepraten. Ik ben zowel in Ulysses van James Joyce en A la recherche du temps perdu van Marcel Proust blijven steken op respectievelijk pagina 210 en 517. Indachtig een stelregel van Rudy Kousbroek – probeer niet het origineel te lezen als er een goede vertaling is – heb ik het bij allebei met een Nederlandse versie geprobeerd, maar dat maakte de onderneming alleen maar hopelozer: ik ging me zitten ergeren aan de vertaling.
Ik vertel dit allemaal omdat ik onlangs opnieuw tegen het fenomeen Joël Dicker aanliep. In 2012 werd van deze toen nog heel jonge Zwitserse auteur De waarheid over de zaak Harry Quebert uitgebracht. Ik had kort nadat het boek verschenen was een radio-interview met hem gehoord. Het leek me wel een sympathieke jongen dus ik dat boek lezen. Niet uitgelezen. Maar deze keer niet om het soort redenen waarom ik met Proust en Joyce worstel. Echt geen zinnen van een kilometer. Allemaal heel toegankelijk. Een echte – ja hoor – page turner. Waarvoor hij ook nog de Grand Prix du Roman van de Académie Française en de Prix Goncourt des Lycéens kreeg. We moeten hier dus wel te maken hebben met een echte – gruwel, gruwel – literaire thriller. De Académie Française klinkt natuurlijk bijzonder prestigieus, want in dat instituut zijn de erkende grootheden van de Franse literatuur verenigd. Deze eerbiedwaardige instelling houdt zich onder meer bezig met het samenstellen van hét woordenboek van de Franse taal. Het eerste deel van de huidige editie verscheen in 1992. Nu, achtentwintig jaar en twee delen verder, is men met de S bezig. Op 7 mei van dit jaar kwam de Académie met de onthutsende mededeling dat in het algemene taalgebruik Covid-19 een verkeerd geslacht had gekregen. Covid is immers een afkorting van corona virus disease. En aangezien disease in het Frans maladie betekent, moet het la covid zijn en niet le covid want maladie is vrouwelijk. Van de Académie kunnen we dan ook niet anders verwachten dan dat hun beoordelingsvermogen op het gebied van de Franse schone letteren boven iedere twijfel verheven is. De prijs werd in het verleden toegekend aan auteurs als François Mauriac, Joseph Kessel, Antoine de Saint-Exupéry en meer recentelijk aan o.a. Patrick Modiano en Amélie Nothomb. De Goncourt des Lycéens is dan wel het kleine broertje van de grote Goncourt, maar in een adem genoemd te worden met Philippe Claudel, André Makeïne en Nancy Huston is toch niet voor iedereen weggelegd. Ondanks dat alles heb ik het boek van Dicker nooit uitgelezen en wel omdat ik al vrij snel ontdekte dat de schrijver regelrecht plagiaat had gepleegd op de door mij zeer bewonderde Philip Roth. De plot van het verhaal is uit de Human Stain van Roth gehaald. Niet zo maar een beetje. De overeenkomsten liggen zo gênant aan de oppervlakte dat het mij niet meer lukte verder te lezen. Easy reading en easy reading zijn blijkbaar twee verschillende zaken. Wat voor de miljoenen lezers van Dicker naar binnen glijdt als een glas caipirinha bij een Braziliaan, is voor mij qua inhoud en stijl volstrekt onverteerbaar. En het moge misschien zo zijn dat easy reading hard writing is – en dat nog zeker niet altijd –, good writing is weer heel iets anders. Zou er trouwens zoiets als good reading bestaan?
Coronagedachtes-3
Weer een paar stukjes uit mijn dagboekaantekeningen.
Ik weet niet eens hoeveel weken we al in afzondering leven. Drie, vier? Het is al zo normaal geworden. Ik ben geneigd te denken dat het me niet veel doet, maar als ik er wat langer over nadenk, geloof ik dat eigenlijk niet. Het gevoel opgesloten te zitten kruipt langzamerhand al m’n vezels binnen. In het begin was het wijsheid, verantwoordelijk gedrag uit eigen keuze. Inmiddels kun je nauwelijks anders. In Nederland niet op straffe van jezelf een enorme hufter te vinden. En Frankrijk kunnen we niet eens meer in. Al zouden we het nog zo graag willen, we kunnen niet meer naar ons huisje in de Languedoc. Dat begint nu als een amputatie te voelen. Wat op macroniveau wijs is, voelt op het persoonlijke vlak als een moeilijk te verdragen inperking. (6/4)
Opeens denk ik: “Het leven staat stil”. Het gevoel opgehangen te zijn in tijd en ruimte. De mechaniek van het raderwerk maakt even pas op de plaats. Straks gaat het weer lopen en heb ik weer een toekomst. Nu niet. Er is alleen het heden. Zo is het natuurlijk niet, maar zo voelt het. Het werken in de tuin is alleen maar het heden onderhouden, zorgen dat alles binnen de door ons gedefinieerde grenzen verder kan groeien. Dat stelt gerust. Je kunt in het klein doen wat in de mensenwereld juist niet zo goed meer lukt: de zaken onder controle houden. Blijkbaar is dat een diep gekoesterd verlangen. Ik herinner me dat vroeger, toen ik als begin twintiger een verdiepinkje in Amsterdam Oud-West bewoonde, bezoekers vaak verrast waren over de ordelijkheid en de esthetiek van mijn interieur. Ik antwoordde dan dat ik daarmee mijn innerlijke chaos compenseerde. Dat was een grapje maar misschien wel met een kern van waarheid. Zo merk ik nu dat er in mijn omgeving veel wordt opgeruimd, opgeknapt, gesorteerd en in de tuin gewerkt. Werkzaamheden die je de illusie geven dat je de zaken onder controle hebt. (8/4)
Ik las vanochtend in een krant dat mensen op twee manieren op het nieuws reageren: obsessief alles willen weten of juist je ervan af keren. Als het om het virus gaat hoor ik tot de laatste categorie. Ik heb het helemaal gehad met de Covid-19, Corona, SARS-CoV-2 en wat dies meer zij. De positief getesten, ziekenhuisopnames, IC-gevallen en gestorvenen zullen mij worst wezen. Flattening of crushing the curve, weg ermee. Het is heel erg allemaal en wij (in ruime zin) moeten het niet krijgen. En verder: Punt. Uit. Als het over Brazilië gaat daarentegen, behoor ik tot de eerste categorie. Ik wil alles weten over de naderende val van Bolsonaro, ongetwijfeld in de verwachting dat, hoe meer ik ervan weet, hoe dichterbij die val is. Ik zou eenzelfde soort obsessie met Trump kunnen hebben, maar
a) één krankzinnig staatshoofd is qua portie ellende wel genoeg;
b) onze zoon woont niet in de VS maar wél in Brazilië;
c) het lezen van Braziliaanse kranten helpt mij mijn Portugees te verbeteren wat handig is als ik weer op bezoek kan in dat land. (28/4)
Wetenschappelijk
“Wij moeten dezer zaak wetenschappelijk aanvatten en geen voorijlige volgeringen maken…”
“Hier wordt gener waarheid gezegd… Hier wordt der wetenschap gepleegd.”
“Ik zal dit geval wetenschappelijk analyseren. U kunt op mij vertrouwen, mijnheer Boml. Berustigt u zich, bid ik u.”
Oplettende lezertjes zal het opgevallen zijn dat ik hier uit het werk van Marten Toonder citeer. Deze en soortgelijke uitspraken van professor Prlwytzkofski – directeur van het Stadslaboratorium van Rommeldam, een soort RIVM dus – schoten mij te binnen bij het lezen van een interview in NRC-Handelsblad (8/5/20) met die andere hoogleraar, prof. dr. Jaap van Dissel. Daarin staat te lezen dat “…Van Dissel zich deze week (voor het eerst) positief uit(liet) over het gebruik van mondkapjes buiten de zorg, verwijzend naar wetenschappelijke inzichten over het psychologische effect: men wordt voorzichtiger bij het zien van mondkapjes bij anderen. Maar hij heeft er zichtbaar moeite mee dat standpunt te verdedigen. Wekenlang hamerde hij op de schijnveiligheid van mondkapjes en het risico dat mensen zich daardoor met een mondkapje juist onzorgvuldiger gaan gedragen. Hij toonde zich ronduit een tegenstander.
…
Waarom zo’n verzet tegen mondkapjes als er wisselende inzichten over bestaan? Baat het niet, dan schaadt het niet?
‘Dat vind ik niet echt wetenschappelijk advies. Dan kun je ik weet niet wat allemaal gaan doen.’ “
Zo mag ik het graag zien. “Dit is ja gans onwetenschappelijk”, zou professor Prlwytskofski treffend opgemerkt hebben.
Maar wacht even, we hebben het over mondkapjes, niet over vaccins of medicijnen. Ieder weldenkend mens kan begrijpen dat je met een lapje voor mond en neus minder druppeltjes binnenkrijgt of afgeeft dan zonder. Dat vindt blijkbaar ook de Afnor, het Franse normeringsinstituut (te vergelijken met de Nederlandse NEN). Die stelde vast dat een gezond iemand met een FFP2 mondkapje voor 94% beschermd is tegen rondvliegende virussen. Hoe groot de bescherming is bij het dragen van een mindere variant is niet bekend maar het zal geen 0 zijn. Dat nog niet is vastgesteld is hoevéél bescherming ieder type mondkapje biedt, is heel iets anders dan dat aangetoond is dat het niet helpt. En die veronderstelde schijnveiligheid? Is die zo wetenschappelijk aangetoond? Ik herinner me dat argument uit de tijd dat ik in Afrika woonde. Met name Europese medici vonden inentingscampagnes tegen cholera maar niets want de bescherming was niet groot (tussen de 50 en 70%) terwijl de gevaccineerden in de veronderstelling zouden verkeren dat ze volledig tegen infectie beschermd waren. Maar bij mijn weten is nooit wetenschappelijk aangetoond dat na een inentingscampagne het aantal besmettingen toenam. Dus, prof. Van Dissel, het lijkt me ontzettend wetenschappelijk verantwoord om het dragen van mondkapjes te stimuleren want het baat zeker en de eventuele schade kun je tot een minimum beperken door er duidelijk bij te vertellen dat je evengoed de maatregelen van ‘social distancing’ in acht moet blijven nemen. Dat lijkt me niet precies “ik weet niet wat allemaal”.
Vlaggen
Het is wel even wennen, de vlag uitsteken. Van huis uit heb ik het al niet meegekregen en door de afgelopen decennia in Frankrijk is het er niet beter op geworden. Volgens mij is vlaggen een Nederlandse specialiteit. Ik vermoed dat het werkwoord in geen andere taal bestaat. Ik vermoed ook dat de vlaggenstokdichtheid nergens zo hoog is als in ons land. Dat moet niet verward worden met het vereren van de vlag. De meeste staatshoofden wagen het niet om op het televisiescherm te verschijnen zonder de landsvlag op de achtergrond. De Amerikaanse schoolkinderen moeten dagelijks hun eed aan de vlag afleggen. In Frankrijk heeft een jaar of wat geleden een socialistische (!) presidentskandidate voorgesteld om dat ook in Frankrijk te introduceren. Toch zie je aan Franse huizen geen vlaggen wapperen op bevrijdingsdag. Misschien een paar toen Frankrijk in 1998 het WK voetballen won. In een land waar ik de afgelopen jaren regelmatig vertoef heerst een totale vlaggengekte. Bij het minste of geringste worden de vlaggen uit de kast gehaald om daarmee op straat steun aan of oppositie tegen iets te betuigen. Maar aan huizen zie je ze ook in Brazilië niet hangen. Groot was mijn verbazing toen wij een jaar of tien geleden een paar maanden in Apeldoorn woonden. Daar leek mij het vlaggen een deel van de plaatselijke folklore te zijn. Zeker in de villawijken: overal vlaggenmasten met een vrolijk wapperende driekleur en vaak nog met een oranje wimpel erbij. Ik begon mij toen af te vragen wat het vlaggen eigenlijk betekent. Wat is de drijfveer erachter? Een diepe behoefte de aanhankelijkheid aan de Nederlandse staat te tonen? De buren doen het ook, dus staat het vreemd als ik het niet doe? Het vlaggen lijkt de norm en je moet wel goede redenen hebben om het niet te doen. Persoonlijk kom ik er niet goed uit. En het probleem werd plotseling nijpend toen wij een paar jaar geleden onze nieuwe woning in Nederland betrokken en daar een vlaggenstok met oranje schijfje en de bijbehorende Nederlandse vlag aantroffen. Omdat we het eerste jaar nog een tijdje in Frankrijk bleven wonen bleef die vlag nog netjes in de hoek staan. Daarna raakte hij door allerlei interne verhuizingen zoek, maar afgelopen winter vond ik hem weer. Nu moet ik er even bij vertellen dat mijn houding tegenover het vlaggen enigszins vertroebeld is geraakt door een ervaring eind jaren zeventig. Wij woonden in een Utrechtse wijk waar je toen nog met pakweg tweemaal modaal een leuke jaren dertig tussenwoning kon kopen. Tegenwoordig kom je er voor minder dan een half miljoen niet meer terecht. Om even aan te geven wat voor soort buurt dat was: keurige mensen in keurige huizen. Op de eerste 1 mei die wij daar meemaakten vonden we het wel een goed idee om een rode vlag aan een bezemsteel te binden en die in de houder voor de vlaggenstok te schuiven. Toen wij ’s avonds van een socialistische 1 mei-viering thuiskwamen troffen wij een verkoold stukje rood textiel aan onze geïmproviseerde vlaggenstok aan. Vanaf dat moment was bij mij de animo om wat voor vlag dan ook uit te steken verdwenen. Vijftig jaar later vind ik dat ik me wel grootmoedig over dat gevoel van gekwetste eigenwaarde heen kan zetten. Koningsdag heb ik als overtuigd republikein voorbij laten gaan, maar op 4 en 5 mei hangt hij buiten. Alleen, dat oranje schijfje aan het uiteinde zit me dwars. Misschien toch een kleur geven die wat beter bij mijn republikeinse inborst past?
Coronagedachtes-2
Gisteren was ik even ontzettend kwaad. Niet het soort kwaadheid zoals op presidentiële gekken als Trump en Bolsonaro, maar een woede waarbij je het bloed uit je gezicht voelt wegtrekken, je zit te trillen en als je al zou kunnen praten, alleen maar zit te stotteren. Het kwam door een e-mail van onze vroegere tuinman toen we nog in Frankrijk woonden en daar een tuin hadden waarvoor je wel een paar extra handen nodig had. In de mail legt hij uit dat hij niet zo in het virus gelooft, dat het een manipulatie van de massa’s is om ze bang te maken en als je frequentie maar hoog genoeg is, het virus geen vat op je krijgt. En door angst zou je frequentie dalen. Bovendien zou er een verband met de 5G zijn. Zelden zag ik in zo weinig regels zoveel onzin. Van zo’n mate van stompzinnigheid en gebrek aan consideratie met al die duizenden die doodziek zijn of inmiddels al gestorven word ik ziedend. Mijn onbegrip is totaal. Hoe bestaat het dat sommige mensen alles opzij kunnen schuiven wat min of meer betrouwbare media te melden hebben en een totaal vertrouwen hebben in obscure informatiebronnen op Facebook? Wat zijn dat voor mensen die denken dat alles in deze wereld één grote samenzwering is? Wat is dat voor paranoia? We worden voor de gek gehouden! Ze vertellen ons niet alles! We worden constant bespioneerd, gemanipuleerd! En wie zijn die zij, die voortdurend het slechte met ons voor hebben? “Als bij toeval” wordt er vaak wel een lijntje met een instelling ontdekt die banden met de staat Israël onderhoudt.
Maar waarom word ik hier zo razend over? Ik weet toch beter? Mij doet ’t toch geen kwaad? Ik zou toch eigenlijk medelijden moeten hebben met deze simpele zielen die in de duisternis ronddolen? Dat is waar en in zekere zin ben ik blij dat ik nu zo’n dolende ziel ken. Onze ex-tuinman is namelijk iemand die je zonder moeite als een doodgoeie vent zou kunnen aanduiden. Hij was altijd geïnteresseerd wat er in de wereld gebeurde, had een boeddhistische vriend van wie hij wat beginselen van het boeddhisme had geleerd, hij stond altijd klaar om mensen te helpen. Alleen, toen hij in zijn afgelegen boerenstulpje toegang kreeg tot het internet gebeurde er iets. Voordien hadden wij deels de zelfde informatiebron, namelijk France Inter, de nieuwszender van de Franse publieke omroep. Qua nieuwsradio kun je niet beter hebben. Maar sinds hij op het internet kon surfen, kwam hij steeds vaker met vreemde verhalen, die steeds meer in de richting van samenzweringstheorieën gingen. Het resultaat was dat ik onderwerpen uit de dagelijkse actualiteit ging mijden. Er viel gewoon niet tegenaan te redeneren. Ik weet niet of onze ex-tuinman een typisch specimen van de silent majoriry is, van de mensen die zich niet gehoord voelen, maar tot op zekere hoogte wel, denk ik. Nooit een opleiding afgemaakt, nooit een vaste baan gehad, afkomstig uit een milieu van ongeschoolden. Aan de andere kant vonden wij dat hij het gezien zijn achtergrond goed deed. Hij klaagde nooit, was altijd goed gehumeurd en kon rondkomen met een veelheid van klusjes: tuinman dus, metselaar en timmerman, boemerangfabrikant, ‘animateur’ voor de buitenschoolse opvang, houthakker. En ik vergeet nog een paar dingen. Dat zal ongetwijfeld een deel van mijn woede verklaren. Dat zo’n aardig mens er zulke abjecte denkbeelden op na kan houden.
(26 maart)
Hoe kun je over iets anders schrijven dan het virus als letterlijk iedereen het over niets anders heeft. Dit grijpt op alle niveaus van het leven zo diep in dat alles alleen maar in relatie tot het virus bekeken kan worden. Het ene deel van de bevolking heeft zeeën van tijd , een ander deel werkt zich drie slagen in de rondte en nog weer anderen liggen voor hun leven te vechten. En dat ook nog eens overal ter wereld, hoewel op Vanuatu nog geen geval van besmetting geconstateerd schijnt te zijn. Plannen voor de toekomst kunnen niet gemaakt worden, want niemand weet hoe de wereld er over twee maanden of een jaar uitziet. Hou je je werk, kun je je huis nog betalen, leven je naasten nog, leef je zelf nog? Niemand kan iets met zekerheid zeggen. Zelfs van hen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, hebben de meesten dit niet gekend. Dat is wel een raar gevoel: iets mee te maken dat de loop van de geschiedenis verandert. De val van de muur en ‘Het einde van de geschiedenis’ zullen vermoedelijk ‘minor events’ zijn vergeleken met wat deze pandemie gaat teweeg brengen. Aan de ene kant voel ik mij bevoorrecht dat ik zo’n beslissend moment in de wereldgeschiedenis kan meemaken, aan de andere kant betekent het op persoonlijk vlak veel onzekerheid en angst. Zo’n fase zal ook wel het mooiste en het slechtste in mensen doen bovenkomen. En welke kant het opkantelt? Amerika had zijn New Deal. Duitsland en Italië hadden Hitler en Mussolini.
(31 maart)
Coronagedachtes-1
Met meerdere of mindere regelmaat maak ik sinds jaar en dag dagboeknotities. De laatste tijd kunnen die natuurlijk over niets anders gaan dan over de Corona pandemie. Hier volgen er een paar.
Ik ben regelmatig boos. Boos op mensen die de ernst van de situatie niet willen inzien. Die zichzelf en anderen in gevaar brengen. Eigenlijk doen ze niet heel anders dan wanneer je met vijf glazen drank in je lijf achter het stuur gaat zitten. Ik ben boos op politici die uit electorale overwegingen niet al te strenge maatregelen willen nemen, die ons voortdurend vertellen dat die maatregelen voor de komende twee, drie weken zijn, terwijl iedereen aan zijn klompen kan voelen dat deze pandemie nog maanden gaat duren. En dan heb ik het nog niet eens over onverantwoordelijke leiders als Trump en Bolsonaro.
Ik maak me niet echt zorgen over mijn eigen besmetting. Dat is niet erg rationeel. Ga maar na: er is een grotere kans dat ik – of ieder ander – het virus wel krijg dan dat ik er van verschoond blijf. Vervolgens is er dan een paar procent kans dat ik eraan doodga. Dat betekent dat ik al gauw 1 procent kans loop om aan de COVID-19 te overlijden. Dat is minder dan bij een Russische roulette, maar nog altijd vele vele malen meer dan de jackpot in de loterij te winnen. En toch raak ik daar niet angstig van. Ingebouwde bescherming tegen een overdosis aan realisme?
(22 maart)
Strakblauwe lucht, volop bloesem in de tuin, niet één streep aan de hemel. Geen geluid buiten. Zo moet het vroeger, toen ik klein was, ongeveer geweest zijn. Het is onwerkelijk, maar in zekere zin mag het van mij zo blijven. Ik hoef niet zo nodig de stedelijke ruis of erger om me heen. Het heeft nu nog niets macabers. Als links en rechts houten kisten in en uit de huizen gedragen zouden worden, zou het anders zijn. Maar dit heeft nog niets van een doodse stilte. Het is meer de Borgesiuslaan in Amersfoort 65 jaar geleden op een mooie doordeweekse middag.
(23 maart)
Alweer een strakblauwe hemel. Het heeft iets oneerlijks. Alsof de zon de spot met ons drijft: “Jullie zitten daar beneden in de penarie. Heb ik lekker geen last van. Zie mij eens vrolijk schijnen.”
Zoals velen kijk ik in deze tijden meer naar films en series dan ik anders doe. Ik hoorde vanochtend het grapje op de radio dat ze zich bij de Franse TV ongerust maken of ze nog wel genoeg Louis de Funès films hebben om het einde van de lockdown te halen. Maar goed, film kijken leidt af van een dagelijkse realiteit die door de meeste mensen als tamelijk onaangenaam wordt ervaren. Maar het is niet zo dat je door naar de film te kijken even uit die onaangename realiteit kunt stappen. Want als er handen geschud worden, in een disco gedanst wordt of wordt omhelsd, dan lijken die beelden al uit een andere wereld te komen. “O kijk eens, wat schattig. Dat deden we toen nog.” Ondanks het verzet tegen een nare realiteit heeft een mens blijkbaar ook de capaciteit zich razendsnel aan te passen aan veranderende omstandigheden, ze zelfs normaal te gaan vinden. Er lijkt een parallel met het Stockholmsyndroom te zijn. In dit geval zijn er weliswaar geen gijzelnemers die ons onder schot houden, maar we leven wel in een situatie waarin onze bewegingsvrijheid ingeperkt is. Engelsen en Fransen spreken niet voor niets over confinement, wat toch echt opsluiting betekent. Ik moet ook denken aan mensen die na een lange ziekenhuisopname of na gevangenschap weer thuis komen en niet kunnen wennen aan het gewone leven. En de film Ida van Pawel Pawlikowski waarin de hoofdpersoon na een periode van verplichte vrijheid het verkiest naar het klooster terug te keren. En ja, ik merk dat deze semi-gedwongen afzondering iets verslavends heeft. Ik keer me mentaal af van mensen die vinden dat al die heisa over het virus sterk overdreven is, die coûte-que-coûte hun gewone leventje willen blijven leiden, die boos zijn dat hun vakantie, feestje, concert, wedstrijd niet doorgaat. Ik stel me voor hoe dat tijdens de bezetting is gegaan, met collaboratie en illegaliteit als uitersten. Als er nu mensen zijn die een feestje belangrijker vinden dan mensenlevens, dan zit je in dat spectrum toch al dicht tegen collaboratie aan. En de helden worden al als zodanig aangeduid. Maar hoe verzet je je tegen een virus als je geen arts, verpleger, politieagent of viroloog bent? Mij dunkt door je te informeren en te doen wat wijs is.
(24 maart)
Positief
Een dissel of disselboom is een balk waarmee een kar wordt voortgetrokken, dus zo’n ding tussen paard en wagen of tussen auto en caravan. Kortom een verbindingsstuk tussen krachtbron en lading. Mooi woord om overdrachtelijk te gebruiken. Wat zou je zeggen van verbinding tussen de wetenschap en het gewone volk? Of Tussen RIVM en publieke opinie? Laat nou juist prof. dr. J.T. (Jaap) van Dissel als directeur infectieziektebestrijding van het RIVM ons als leken op dit vakgebied bijna dagelijks toespreken over hoe het nou precies zit met het corona- oftewel covid-19 virus. Een typisch geval van What’s in a name of Nomen est omen. Hoewel. Laat ik maar even duidelijk zijn: ik vind de man een totale overdrachtsramp. Eerst introduceert hij bij de politiek en het gewone volk het begrip groepsimmuniteit waar niemand iets van begrijpt of liever: we begrijpen dat als nou maar de helft of iets meer van de bevolking het virus heeft gehad, de rest onder de beschermende mantel van de groepsimmuniteit valt. Conclusie van de leek: laat dan maar zou gauw mogelijk zoveel mogelijk mensen het virus krijgen dan zijn we des te sneller van deze vervelende ziekte af. Nee, nee, zegt meneer Van Dissel de volgende dag, zo zit het niet: groepsimmuniteit is niet het doel maar het mogelijke resultaat van een proces. Op dit moment haakt 4 mavo wel af, die hebben namelijk geen colleges methodologie gevolgd. Die willen gewoon weten hoe erg is het (erg), hoe lang gaat dit duren (lang), hoe groot is de kans dat ik het ga krijgen (groot), dat ik er aan doodga (klein) en nog een paar van dit soort praktische zaken. Vervolgens wil 4 mavo horen aan welke regels ze zich moeten houden en wat er gebeurt als ze dat niet doen. Maar zo gebeurt dat niet onder de bezielende leiding van professor van Dissel. Die babbelt gewoon wat weg alsof hij met collega’s in de koffiepauze aan het praten is. En blijkbaar is er niemand die hem dat zegt. Want wat vertelt de hooggeleerde Jaap op woensdag 25 maart aan den volke? Dat de maatregelen die de Nederlandse overheid heeft genomen om de corona-uitbraak zo goed mogelijk te beheersen, ervoor hebben gezorgd dat de groei van de uitbraak afvlakt. Om te concluderen: “Er is in ieder geval sprake van een positieve trend”. Het probleem is niet dat het niet klopt (tenminste dat neem ik maar even aan), maar dat alleen die collega’s in de koffiepauze begrijpen wat hij bedoelt. Misschien is er zelfs een die zegt “Tut tut ho ho Jaap, ik vind dat je nu wel een beetje te ver gaat.” Maar wat hoort de argeloze tv-kijker: de groei neemt af en er is een positieve trend. En dat eerste is onjuist en dat tweede is nog maar helemaal de vraag. Want hoezo positieve trend? Als de groei minder snel toeneemt (afvlakken dus), is er nog steeds een groot en groeiend aantal besmettingen. Zelfs als de groei tot stilstand komt, kan ik daar nog steeds niets positiefs in zien. Als de groeicurve horizontaal wordt en zich lang genoeg doorzet, wordt op den duur de volledige bevolking uitgeroeid. Positief?
Misschien dat Jaap van Dissel een heel kundig wetenschapper is, zeker is dat hij met de autoriteit van een onfeilbaar wetenschapper spreekt. Politici vinden dat blijkbaar heerlijk want dan hoeven ze zelf niet meer na te denken. De woorden van Jaap gaan er bij Rutte (drs geschiedenis, dus geen epidemiologie en geen statistiek) in als Gods woord bij een ouderling. Misschien kunnen ze bij de RIVM een dissel ontwerpen tussen hun directeur infectieziektenbestrijding en het gewone volk.
De lof der twijfel
We zouden al weken geleden afgereisd zijn naar ons idyllische plekje in Zuid-Frankrijk. We waren daar door ons onverwacht lange verblijf in Brazilië afgelopen najaar al lang niet meer geweest, dus het was de hoogste tijd. Vanaf begin januari zijn we bezig geweest het vertrek uit te stellen. Er was altijd wel iets. Niet nu, maar volgende week. Dan is het weer beter, heb ik hier mijn klusjes gedaan. Maar wekenlang bleek het weer altijd wel beter te kunnen – slechter dan hier in Nederland kon het overigens niet – en bleek er altijd nog wel een klusje te zijn dat mijn onmiddellijke aandacht vereiste. Toen ik mijn belastingaangifte gedaan had, was er eigenlijk niets meer dat ons weerhield. Nou ja, nog een paar dagen wachten totdat een goede vriend de uitslag van medisch onderzoek heeft. Als dat goed uitpakt kunnen we echt met een gerust hart weg. Maar inmiddels werd ik toch een beetje ongerust over het Corona-virus. Stel je voor dat we daar ziek worden. Wel een beetje primitieve omstandigheden om met hoge koorts in bed te liggen. En als we allebei ziek worden, wie doet er dan boodschappen voor ons? Dat soort onheilsgedachten begonnen zich op te dringen. Aan de andere kant, het lijkt in de Languedoc niet erg te heersen. En het weer is er beter. En hoe groot is de kans helemaal? Maar is het wel verstandig dat onze goede vriendin ons daar op komt zoeken? Als het fout gaat, gaat het dan nog fouter. Gedeelde smart is dubbele smart in dit geval.
Dit alles bracht me in een staat van besluiteloosheid die ik absoluut verafschuw. Ik hou van ferme besluiten, zelfs als ik weet dat de basis waarop ze berusten twijfelachtig is. Beter een verkeerd besluit dan geen besluit. Zoiets. Geen besluit is voor watjes, doetjes, halfzachte eieren, slapjanussen. Met overtuiging het verkeerde besluit kunnen nemen, dat is pas mannenwerk! Wat voor besluiteloosheid geldt, geldt natuurlijk ook voor uitstellen. Procrastinatie! Mag niet! De realiteit helder onder ogen zien, de plussen en de minnen optellen en ziedaar de uitkomst. Zo gemakkelijk is dat. Nee dus. Nou moet ik wel zeggen dat ik met die houding in het verleden behoorlijk gescoord heb. Maar misschien had ik die keren gewoon geluk.
Deze keer lukte het me niet. Ik was ten prooi aan twijfel en wachtte op het moment dat de plusjes en de minnetjes mij de weg zouden wijzen. Tegelijk was ik ervan overtuigd dat dat nooit zou gebeuren.
Het is wel paradoxaal. Ik die ervan overtuigd is dat twijfel de bron van alle goeds is, die niet geloofd in ijzeren zekerheden, die vindt dat de waarheid altijd gecompliceerder is dan je in een paar regels kunt vatten, die stond als verlamd van twijfel in een situatie waarin iedere keuze zowel de goede als de slechte kan zijn of, waarschijnlijker nog, de goede én de slechte keuze is: een goede keuze met slechte kantjes of een slechte keuze met goede kantjes. De rest is nattevingerwerk.
En wat gebeurde er vervolgens? De van boven gedecreteerde restricties om de verspreiding van het corona-virus af te remmen volgen elkaar in zo’n tempo op dat ik vandaag niet weet of ik Frankrijk nog wel inkom en dat ik geen enkele zekerheid heb of ik er over een paar weken weer uit mag. Oef! Soms wordt besluiteloosheid beloond. Of is het zo dat als ik nu … en dat ik dan … en misschien is het ook zo dat … of zou het toch beter zijn om … ?